Dit is de situatie: ik bevind me in een onderzeeër in de Noordzee, samen met zo’n vier, vijf andere opvarenden (heet dat zo bij een onderzeeër?), onder wie de directeur van het Literatuurmuseum. ‘Kijk’, zegt de directeur. ‘Daar zijn ze.’ Hij doet een stap opzij zodat ik de patrijspoort voor mezelf heb. Ja, inderdaad, daar zijn ze.
1.
Ik ben maritiem privédetective. Dat is geen beschermde functie, iedereen mag zich zo noemen maar omdat ik de enige ben die dat doet, komt men vaak bij mij terecht als er iets vreemds aan de hand is dat met de zee te maken heeft. Ik woon in Oostende, op vijfentwintig hoog in het Europacentrum, de hoge woontoren die daar eind jaren zestig midden in het centrum is neergezet, tot verdriet van velen. Ik kijk uit over de Noordzee.
Het klinkt als een cliché maar de zee is elke dag anders. Elk uur is ze anders. Alleen de kleuren al. Ik heb een schetsblok gekocht en een doos met honderd kleurpotloden maar het is me tot nu toe niet gelukt om de voortdurend veranderende kleuren van de zee op papier te krijgen; ik kom niet eens in de buurt.
https://www.vn.nl/product/vrij-nederland-augustus-2026/Een week geleden werd ik gebeld met de vraag of ik meteen naar het Loodswezen kon komen. Ik had niets anders omhanden dus ik haalde mijn auto op uit de parkeergarage en reed ernaartoe. Het gebouw van het Loodswezen ligt aan de haven en doet me altijd aan vliegvelden denken, omdat er een kleine verkeerstoren op het dak staat. Bij de ingang werd ik opgewacht door twee agenten. Ze namen me mee naar een ondergrondse afdeling, een fel verlicht doolhof van smalle gangen en ruimtes die waren afgesloten met deuren die alleen met pasjes te openen waren. Toen ik vroeg wat de bedoeling was, zeiden ze dat het zo wel duidelijk zou worden. Uiteindelijk kwamen we terecht in een grote zaal die eruitzag als een operatiekamer. Op een metalen tafel lag iets wat ik niet meteen begreep. Naast die tafel stonden een man en een vrouw die groene operatieschorten droegen. Ze knikten me toe zonder zich voor te stellen. Mijn naam noemden ze wel, precies tegelijkertijd, alsof ze erop geoefend hadden. Het zou ook kunnen dat ze niet van tevoren hadden afgesproken wie het woord zou doen.
‘Heeft u ooit zoiets gezien?’ De vrouw maakte een uitnodigend gebaar naar het object op de tafel.
‘En zo ja, waar?’ vulde de man aan.
Ik deed een stap naar voren.
‘Nee, nooit.’
Op de tafel lag een mens op een motorfiets. Behalve dat het geen mens was, en ook geen motorfiets. Het object, of het wezen, lag op zijn zij. Het rook naar zee en er lag een donkere, vochtige glans over. Op de huid, als het al een huid was, zaten schelpen en zeepokken. Er liepen slangen en buizen van en naar verschillende onderdelen, de kop was bedekt met een donkere, helmachtige kap. Het leek iets uit een Mad Max-film.
‘Cyberpunk’, zei ik. ‘Mad Max. Aangespoeld?’
De vrouw knikte.
‘Een pop? Kunststof, plastic, metaal, ijzer?’
‘Gevonden door een vroege jogger. Die belde de politie. Toen ze hem binnenbrachten, leefde het nog.’
‘Kieuwen’, zei de man. ‘Én longen. Denken we. We hadden hem hiernaast in een watertank gezet maar hij, zij, het… Het overleefde het niet. Zo meteen weten we meer, als we hem uit elkaar hebben gehaald.’
Hoe langer ik naar het wezen keek, hoe duidelijker de contouren zichtbaar werden, ze doemden op uit het organische geheel: een gebogen been op een pedaal, een arm naar een stuur. Een uitlaat, een brandstoftank.
‘En de… die motorfiets?’ vroeg ik.
‘Er is geen motorfiets’, zei de vrouw. ‘Het is één wezen.’
Ik keek haar aan. Daarna liet ik mijn blik weer zakken.. ‘Eén wezen?’
‘Een en al samenhang’, zei de man. ‘Je denkt misschien: het is een man op een brommer, maar het hoort allemaal bij elkaar. Hoe het precies zit weten we pas na de autopsie.’
Ik kon mijn ogen niet van het wezen af houden. Het was bijna of het nog ademde, of ik de kleine ritmische beweging kon zien die op leven duidde. En zij zouden het gaan schenden, zij zouden er messen in zetten. Ik was zelf verrast door de sterkte van mijn emotie. Het lag daar zo hulpeloos, glinsterend van vocht, het was te vreemd om te bevatten, als het nu niet ademde zou het dat straks misschien wel weer kunnen gaan doen, er leek meer leven in te zitten dan in de man en de vrouw die naast de tafel stonden, meer leven dan in de agenten die me hierheen hadden gevoerd – droge mensen, zonder glans, mensen zoals ik.
‘En wat willen jullie van mij?’
‘We willen dat je de vroege strandgangers af gaat’, zei een van de agenten. ‘De joggers, de strandjutters, de mannen met metaaldetectoren. Vraag of ze dit vaker hebben gezien. Jij kent die mensen.’
‘Jullie ook.’
‘Ze weten dat wij van de overheid zijn. Tegen jou zeggen ze meer.’ Ik wist wat ze dachten: jij bent net zo’n rare vogel als zij.
Met een hoofd vol vragen reed ik terug naar huis. Terwijl de stad met het boven alles uittorende Europacentrum dichterbij kwam, begreep ik opeens dat ik het vreemde wezen dat op die kille metalen tafel had gelegen eerder had gezien. Nou ja – nee, niet gezien, hoewel, toch wel, ik had het vóór me gezien, op een bepaalde manier had ik het herkend.
https://www.vn.nl/de-baas-van-wraak2.
Ik ben geen groot lezer. Als ik zou meedoen aan een literaire quiz zou ik alleen het antwoord weten op de vraag wat ik wilde drinken. Maar zoals iedereen van mijn generatie heb ik op school literatuurles gehad en ik herinnerde me dat de leraar Nederlands ooit in de klas een verhaal voorlas over een jonge matroos die ’s nachts een brommer op zee ziet rijden, over de golven, met een man achter het stuur. De bestuurder komt aan boord, legt aan de matroos uit hoe het zo gekomen is en vertrekt weer. Ik herinnerde me zelfs de naam van de schrijver nog, omdat ik dat zo’n rare naam vond: Maarten Biesheuvel.
Toen de leraar het verhaal voorlas, had ik het helemaal voor me gezien, en nu zag ik het weer voor me – maar deze keer was de man op de brommer veranderd in het vreemde vochtige wezen dat ik in de kelders van het Loodswezen had gezien. Het was onmogelijk om het verband niet te zien, alsof de man op de brommer uit het verhaal in de loop van de tijd was getransformeerd tot een zeewezen dat met zijn voertuig was vergroeid.
Dat kon natuurlijk niet, literatuur was fictie, dat wist ik ook wel. Toch ging ik op zoek. Ik las alles wat ik online over het verhaal kon vinden. Het bleek ‘Brommer op zee’ te heten en had in de loop der jaren blijkbaar een klassieke status bereikt. Het verhaal zelf stond ook online, het was precies zoals ik het me herinnerde. Ik las dat Biesheuvel in zijn jonge jaren gevaren had. Had hij toen iets vreemds gezien en had hij dat vreemde in een verhaal verwerkt? Hij bleek niet meer in leven. Ik mailde zijn uitgever en vroeg of er correspondentie was, of Biesheuvel in zijn matrozenjaren dagboeken had bijgehouden. De uitgeverij verwees me naar het Literatuurmuseum in Den Haag, waar zich het archief van Biesheuvel bevond.
Ik stuurde een mailtje met de vraag of ik het archief kon inzien, en dat ik specifiek geïnteresseerd was in de ontstaansgeschiedenis van het verhaal ‘Brommer op zee’. Dezelfde avond werd ik gebeld door de directeur van het museum met de vraag of ik de volgende dag naar Den Haag kon komen.
3.
De volgende ochtend reed ik naar Den Haag. Het Literatuurmuseum bevond zich in een onoverzichtelijk modern gebouwencomplex achter het Centraal Station. In de sobere directiekamer waren de muren bedekt met schilderijen. Ik nam aan dat de geportretteerden schrijvers waren, al ontdekte ik ook een schilderij van een hond. In plaats van over Biesheuvel te beginnen, zei de directeur: ‘Kom, we gaan naar Den Helder.’
Een auto met chauffeur bracht ons naar een helihaven aan de rand van Den Haag. Vandaar vlogen we naar Den Helder. Ik zat naast de directeur. Het was een lawaaiige toestand. Voor we instapten had de directeur gevraagd of ik vaker in een helikopter had gezeten. ‘Ja, ja, zeker’, zei ik haastig, ik wilde me niet laten kennen, het leek me raadzaam om net te doen of dit allemaal vanzelf sprak.
Toen de directeur in de Marinehaven van Den Helder vroeg of ik ooit eerder in een onderzeeër had gezeten, kon ik deze houding niet langer volhouden.
4.
Wat volgde was zo vreemd en opmerkelijk dat de ontknoping die later volgde, de oplossing van het raadsel zo u wilt, er eigenlijk bij in het niet viel. Misschien dat het meer indruk op me had gemaakt als ik verstand van literatuur had.
De eerste minuten dacht ik dat ik er nooit meer uit zou komen, en vervloekte ik het moment waarop ik het trapje naar de ingewanden van de onderzeeër was afgedaald. Waarom had ik dat in godsnaam gedaan? De anderen deden het ook, zo eenvoudig was het. Behalve de directeur gingen er nog een aantal andere mensen mee, ze stelden zich aan me voor maar ik was te gespannen om hun namen en functies te onthouden. Nadat we waren vertrokken duurde het even voor we daadwerkelijk onderwater gingen, eerst kon je door de patrijspoorten de waterlijn zien en een stukje van de hemel, alsof we ons in een bijzonder diepliggende boot bevonden. Na een paar minuten schoof die hemel bovenwaarts uit beeld en werden we omgeven door donkergrijze duisternis. Aan boord brandde al licht, nu gingen ook aan de buitenkant van de onderzeeër lampen aan. Het bleef donkergrijs buiten, maar nu verlicht donkergrijs. Het was een soort soep waar we in zaten, donkere soep met oplichtende korreltjes – zandkorrels, plankton, ik had geen idee.
Het interieur van de onderzeeër deed me denken aan opnames die ik had gezien van het International Space Station, behalve dat er hier van gewichtsloosheid geen sprake was. Integendeel, het was alsof met de minuut de zwaartekracht harder aan je trok. Het was meer dan beklemmend. Dat ik mij samen met vijf, zes anderen in een niet al te groot sigaarvormig voorwerp bevond, was op zich al benauwend genoeg, maar dat voorwerp bevond zich dan ook nog eens onder water. Hoe dieper we zakten, hoe meer water er boven ons was en hoe meer druk dat water uitoefende op de huid van het voorwerp waarin we zaten opgesloten.
‘Het valt niet mee hè, zo in het begin’, zei de directeur, die naast me bij de patrijspoort stond gehurkt. ‘Ik heb er ook aan moeten wennen.’
Ik bleef naar buiten kijken, naar de korrels en puntjes die langs zweefden, heel even licht vingen en daarna verdwenen, en ogenblikkelijk door andere werden vervangen. Het had iets van een sierlijke dans, een geluidloze eeuwig doorgaande beweging. Nu zag ik ook vissen wegschieten.
Door de vissen zag ik het licht. Ik begreep dat het donker waarop ik uitkeek, voor hen niet gold. Zij kenden het volle licht niet. Het was niet donker in hun wereld, dit was gewoon hun wereld. Ook zag ik steeds meer verscheidenheid: hoe langer ik keek, hoe meer soorten ik kon onderscheiden, zonder die overigens te kunnen benoemen. En hoe langer ik naar ze keek, hoe vanzelfsprekender ze eruit zagen.
Wij waren landdieren die zich boven de zeespiegel op de continenten voortbewogen, stapje voor stapje, op onze plaats gehouden door de zwaartekracht. Die voorkwam dat we de ruimte in schoten, en dat was natuurlijk erg prettig, maar als je erbij stilstond was de zwaartekracht iets traags en logs, dat je steeds weer naar beneden drukte, en waar je je elke minuut van je leven moeizaam tegen moest verzetten.
Natuurlijk waren de vissen en andere zeedieren ook onderhevig aan de zwaartekracht, maar die werd gecompenseerd door de opwaartse kracht van het water. Wat moest het prettig zijn om je je hele leven door een medium te bewegen waardoor je werd gedragen! We kunnen dit imiteren door te zwemmen, maar dat is niet te vergelijken met hoe vissen zich moeten voelen. Zwemmen is een gevecht met het water, als we zwemmen zijn we niet in ons element, we bezoeken het water, en als we lang onderwater willen blijven, moeten we maatregelen nemen om te kunnen blijven ademen.
Met groeiende jaloezie keek ik naar de vissen die opdoemden en wegschoten in het gelige, door het water gezeefde licht van de onderzeeër. Wij leefden boven, op de droge aardkost, geplaagd door de elementen. Hier was maar één element, en het was allesomvattend.
Ongetwijfeld waren deze gedachten ook bij anderen opgekomen, misschien kwam iedereen die zich voor het eerst in een onderzeeër bevond en naar buiten keek op dergelijke gedachten, maar dat besef maakte het voor mij niet minder waardevol. ‘Kijk’, zei de directeur. ‘Daar zijn ze.’
5.
Ik kijk. Aan de andere kant van het dikke glas schieten grote, donkere gestalten voorbij. Dit zijn geen vissen, dit zijn andere wezens, donkere vormen, glinsterend in het licht van de lampen. Je zou ze voor menselijke gestalten kunnen houden, maar dan mensen die iets berijden, mensen op motorfietsen – behalve dat ze niet uit twee onderdelen bestaan, hun silhouetten vormen eenheden die voortdurend veranderen, gestroomlijnder worden, en dan weer hoekiger, of ronder, en terwijl ze langs de onderzeeër buitelen, lijken ze te krimpen en uit te zetten – als spel, uit enthousiasme, zonder enige vorm van dreiging.
Ik weet niet wat ik zie, maar het lijkt me heerlijk om zoiets te zijn, om zoiets te kunnen zijn, deze wezens zijn letterlijk en figuurlijk in hun element. Hun koppen, hoofden moet ik zeggen, hun hoofden zijn gladde helmen, je ziet geen enkele uitdrukking, niets dat wijst op de aanwezigheid van zintuigen; ze lijken genoeg te hebben aan zichzelf. En alle bewegingen die ze maken, of die nu spontaan ontstaan of deel uitmaken van een vastgelegde choreografie, lijken ze voor zichzelf te maken, en niet voor ons.
‘Dit wilde ik je laten zien’, zegt de directeur.
Ik weet nog steeds niet wat ik zie.
6.
‘Dus Biesheuvel heeft dit ook gezien’, zeg ik op de terugweg. ‘En daarna schreef hij dat verhaal.’
Ik zit naast de directeur op de achterbank. We worden door een auto met chauffeur teruggereden naar Den Haag, het tripje met de helikopter naar Den Helder was blijkbaar een enkele reis; misschien hadden we een helikopter getroffen die toevallig naar Den Helder moest.
De directeur was het afgelopen kwartier verdiept in papieren die hij uit een aktentas heeft gehaald, en gaat daar rustig bladerend mee door, zonder op te kijken.
‘En wat bent u nog meer, behalve directeur van het Literatuurmuseum?’
Nu kijkt hij wel op. ‘Nee, nee, dat is een fulltime betrekking.’
‘Als dit soort uitstapjes erbij horen, kan ik me dat voorstellen’, zeg ik. ‘Ik heb eens nagedacht, ik voel me als een instrument dat door anderen is bespeeld.’
De directeur legt zijn papieren neer en kijkt me met een afwachtend glimlachje aan.
‘Er spoelt een vreemd wezen aan in Oostende, ik word erbij gehaald met de vraag of ik zoiets ooit eerder heb gezien, en of ik eens wil rondvragen. Met andere woorden, het is duidelijk niet de bedoeling dat de vondst geheim gehouden wordt, integendeel, het mag de openbaarheid in. Ik geloof ook niet dat de mensen die zich daar in Oostende over dat wezen bogen, nooit eerder zoiets hadden gezien. Het was een spel, dat speciaal voor mij werd opgevoerd. Vervolgens herinner ik me een verhaal dat ik ooit op de middelbare school voorgelezen kreeg en als ik wil onderzoeken hoe de schrijver bij dat verhaal kwam, word ik uitgenodigd om naar Den Haag te komen en voor ik het weet zit ik in de Noordzee vanuit een onderzeeër naar levende varianten van het aangespoelde wezen te kijken.’
De vervoering die ik ervoer toen ik die wezens zag, verzwijg ik, dat is iets voor later, het is in ieder geval niet iets voor de directeur.
‘En dat is niet alles. Dat jij hier als directeur van het Literatuurmuseum een grote rol speelt, heeft me aan het denken gezet.’
‘Is dat zo’, zegt de directeur. Een vraag kan je het niet noemen.
‘Heeft Biesheuvel ook zo’n wezen gezien toen hij op zee was? Of hebben jullie hem zo’n wezen laten zien? En met jullie bedoel ik dan je voorgangers in het museum, of voor welke organisatie je dan ook echt werkt.’
‘Ik ben directeur van het Literatuurmuseum, dat heb ik je nu al een paar keer verteld, geloof ik.’
‘Ja, maar wat doen jullie echt? Biesheuvel zag een vreemd wezen en maakte er een verhaal van. Wat is jullie rol geweest? Is het misschien zo dat jullie dat wezen aan hem hebben laten zien, net als jullie het aan mij hebben laten zien, is het niet zo dat jullie wilden dat hij erover zou schrijven, net zoals jullie blijkbaar willen dat ik het over die wezens ga praten? Er leven vreemde wezens in de Noordzee, laten we een schrijver uitnodigen om erover te schrijven. Wat is het idee, moet het publiek worden voorbereid op het bestaan van die wezens door er iemand over te laten schrijven? Is dat wat jullie van het Literatuurmuseum doen? Schrijvers laten schrijven over vreemde dingen zodat het publiek alvast kan wennen aan het idee dat ze bestaan?’
Ik weet niet precies waar ik het vandaan haal, maar nu ik eenmaal op dit spoor zit, volgt het ene idee logisch uit het andere. Ik zie aan de directeur dat ik iets heb geraakt. ‘Het enige wat niet klopt, is dat ik geen schrijver ben.’
‘Dat we niet voor een schrijver hebben gekozen is niet zo gek’, zegt de directeur. ‘Schrijvers hebben niet meer de maatschappelijke positie van vroeger. Als je vroeger via een schrijver een vreemd verschijnsel wilde introduceren, kwam die tekst meteen in de intellectuele gemeenschap terecht, er werd toen veel meer gelezen, veel meer over boeken gepraat. Maar dat is niet meer zo, literatuur is te marginaal, het effect ervan is door een cruciale ondergrens gezakt. Daarom doet de overheid aan leesbevordering, maar ja, heel veel effect heeft dat vooralsnog ook niet. Dus nu nemen we onze toevlucht tot mensen uit andere beroepsgroepen, mensen zoals jij bijvoorbeeld.’
‘Dus ik heb gelijk?’ vraag ik, toch nog verbaasd. ‘Jullie gebruiken schrijvers om het publiek rijp te maken voor vreemde dingen? Ik dacht dat literatuur iets anders was, gewoon schrijvers die vrij moeilijke boeken schrijven, met thema’s en zo.’
‘Ach kom, waarom denk je dat onze overheid al decennialang de literatuur subsidieert? Om al die schrijvers van de straat te houden? Omdat ze onmisbaar zijn? Nee, omdat we een bedoeling met ze hebben. Kijk naar de romans die de afgelopen zestig, zeventig jaar zijn verschenen. Bij een behoorlijk groot aantal kan je vrij direct afleiden wat we hebben geprobeerd, welke vreemde zaken en concepten we via die boeken aan de orde hebben willen stellen. Nieuw is het allemaal niet, na de oorlog deed de CIA iets soortgelijks. Via gesubsidieerde en gecontroleerde kunst en cultuur probeerde de Verenigde Staten de politieke stemming in Europa te beïnvloeden, dat is uitgebreid gedocumenteerd. Toch heb je niet helemaal gelijk. Als het ons er inderdaad om zou gaan om het publiek actief rijp te maken voor vreemde ideeën en bizarre levensvormen, nou, dan hebben we het niet goed gedaan. Heeft dat verhaal van Biesheuvel effect gehad? Welnee. Maar zo werkt het ook niet, we zijn bescheidener, voorzichtiger, we kennen onze plaats, zeker als het om levensvormen gaat. Wat je vandaag hebt gezien, is een topje van een ijsberg. Er bestaan levensvormen die je voorstellingsvermogen overtreffen. Er zijn dingen en wezens en entiteiten en substanties en, en… het laat zich niet eens uitdrukken, er is veel meer dan je zou denken, daar komt het op neer, en het is letterlijk en figuurlijk fantastisch, en wat al niet… We hebben contacten, zoals je hebt gezien, maar we zijn voorzichtig met ze. Zo nu en dan proberen we een stemming te creëren die het makkelijker maakt voor die vreemde verschijnselen om zich te openbaren. In feite nodigen we ze uit. Soms werkt het, soms werkt het niet. Toen Biesheuvel zijn verhaal publiceerde, hebben de wezens er niet op gereageerd. Wie weet doen ze het als jij het in de publiciteit brengt.’
De directeur kijkt me vorsend aan. ‘Nu weet je wat we doen. Dit is ons programma.’
‘Dus dit is wat literatuur is? Een uitnodiging aan vreemde wezens en vreemde verschijnselen om zich aan ons te openbaren?’
De directeur wendt zijn hoofd af en kijkt naar buiten. Ik denk dat ik hem zie glimlachen, maar ik weet het niet zeker.
Over de auteur
Rob van Essen is veelbekroond roman- en verhalenschrijver. Voor De goede zoon (2018) en Ik kom hier nog op terug (2023) ontving hij de Libris Literatuur Prijs. In maart verscheen zijn laatste boek De grote schoonmaak.
Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.