Wie aan de Noordzee denkt, ziet al gauw een bruingrijze bak water voor zich, met vooral veel zand met misschien nog wat algen en wier, en af en toe een kwal. Maar volgens Eline van Onselen, senior projectleider bij natuurorganisatie Stichting de Noordzee, hebben we een vertekend beeld van onze zee. ‘Er is meer leven dan je denkt. Van plankton en naaktslakken, tot bruinvissen en zeehonden, en alles daartussenin. Of wat dacht je van de snotolf: een rond, ietwat lelijk kleurrijk visje met een zuignap op z’n buik? Die kun je zelfs in de Oosterschelde tegenkomen’, zegt Van Onselen.

De Nederlandse Noordzee telt bijna 1300 soorten. Ter vergelijking: de Middellandse Zee heeft er rond de 17 duizend. De Noordzee is dus geen tropisch aquarium, maar ook allerminst leeg. We hebben het dan niet alleen over vissen en zeezoogdieren, maar ook over krabben, garnalen, wormen, anemonen, zakpijpen, sponzen en zelfs koraal zoals dodemansduim, het enige zachte koraal dat voorkomt in Nederlandse wateren. Ongeveer 6 procent is exoot, waaronder de Amerikaanse zwaardschede die je geregeld op het strand vindt en lijkt op lange nepnagels. Een deel van die soorten valt onder Europese of nationale bescherming, van zeezoogdieren en álle zeevogels tot trekvissen als fint en zeeprik. En de zee is niet alleen mooi en wonderlijk, maar ook onmisbaar: het ecosysteem zorgt voor voedselzekerheid en neemt wereldwijd ruwweg een kwart van onze CO2-uitstoot op – een grotere buffer op aarde is er niet.

 

Blauwvintonijn

Maar de Noordzee is verre van gezond. ‘Het is een gedegradeerd ecosysteem’, zegt Van Onselen. Volgens de marien ecoloog zijn de afgelopen decennia weliswaar successen geboekt: zo is het rivierwater dat naar zee stroomt een stuk schoner, wordt plastic vuil op stranden aangepakt en is de olievervuiling flink ingedamd. Alleen verandert dat vooralsnog weinig aan het grotere plaatje. ‘Neem natuurlijke riffen: dichte banken van platte oesters, schelpen en ander bodemleven, waar jonge vissen en krabben kunnen schuilen. Die zijn essentieel voor de koolstofcyclus en houden de zee gezond. Twee eeuwen geleden bestond eenderde van de Nederlandse Noordzee uit rif. Door jarenlange overbevissing en vernieling is dit nu praktisch nul.’

‘Twee eeuwen geleden bestond eenderde van de Nederlandse Noordzee uit rif. Nu is dat nul’

Ook als je soorten als zalm, forel, heilbot, tonijn of steur ziet liggen bij de vishandel, is de kans zeer klein dat ze uit Nederlandse wateren komen. ‘Dat we die dieren verloren zijn, is zo zonde’, zegt Van Onselen. ‘Tijdens presentaties die ik geef, laat ik vaak een oude foto zien van een 5 meter lange blauwvintonijn die wordt aangeland in de haven van Hamburg in 1930. Dat kun je je niet meer voorstellen.’ Ook verwijst ze naar het Visboeck van Adriaen Coenen uit 1579: ‘Coenen beschreef hoe mensen twee keer per jaar naar Scheveningen trokken om vanaf het duin naar de walvistrek te kijken.’

Bestemmingsplan

Wie in 2026 op een Schevenings duin zit, kijkt bij helder weer uit op windpark Hollandse Kust Zuid, dat jaarlijks genoeg elektriciteit opwekt voor zo’n 1,5 miljoen huishoudens. Volgens Martin Baptist, senior onderzoeker mariene ecologie bij de Wageningen Universiteit (WUR), is het een antropogene – door de mens gemaakte – zee geworden. ‘Het is een van de drukste zeeën ter wereld’, zegt Baptist. De Nederlandse Noordzee is ongeveer anderhalf keer zo groot als Nederland zelf. Op land kennen we het ruimtegebrek: vrijwel iedere vierkante meter heeft een bestemmingsplan. Geen wonder dat we het hele jaar door naar de kust trekken om uit te kijken over die ogenschijnlijk lege zee. Maar schijn bedriegt, want ook op de Noordzee stapelen de ruimteclaims zich op.

De huidige structuurvisiekaart van de overheid laat zien hoe vol het Nederlandse deel inmiddels is: windparken, scheepvaartroutes, zandwin- en ankergebieden, kabels en leidingen, en militaire oefenzones liggen als lagen over elkaar heen. Met name voor de Hollandse en Zeeuwse kust is het dringen geblazen. ‘Veel belanghebbenden hebben een goede reden om de Noordzee te gebruiken, maar voor de natuur heeft dit grootschalige en langdurige gevolgen’, zegt Baptist.

Er is ook ruimte voor de natuur gereserveerd. Het Nederlandse zeegebied telt zeven Natura 2000-gebieden, aangevuld met een aantal zogeheten KRM-gebieden: beschermde zeegebieden onder de Europese Kaderrichtlijn Mariene Strategie. Samen beslaan die ongeveer 31 procent van de Nederlandse kust- en mariene wateren, inclusief de Waddenzee. Daarnaast is er het Noordzeeakkoord uit 2020, waarin afspraken zijn vastgelegd tussen Rijk, natuurorganisaties, energiesector, zeevaart en visserij over de toekomst van de Noordzee. Oud-minister Sybilla Dekker is onafhankelijk voorzitter van het Noordzeeoverleg, dat de uitvoering van dat akkoord begeleidt. ‘Het schuurt natuurlijk daar waar belangen samenkomen’, zegt Dekker. ‘Neem nieuwe windparken. Die zijn nodig voor de energietransitie, maar raken ook visserijgronden, scheepvaartroutes en natuur.’

In de Noordzee staat de biodiversiteit van lucht tot zeebodem onder zware druk

Dat die balans nog ver weg is, bleek ook uit het OSPAR-rapport van 2023. OSPAR, genoemd naar de verdragen van Oslo en Parijs, is een internationale verdragsorganisatie waarin alle Noordzeelanden samenwerken aan de bescherming van de Noordoost-Atlantische Oceaan. In het rapport schetst OSPAR een somber beeld: in de Noordzee staat de biodiversiteit van lucht tot zeebodem onder zware druk door menselijke ingrepen. Is er één boosdoener? ‘Nee, het zijn cumulatieve drukfactoren’, zegt Baptist. ‘En niet alle diersoorten reageren op dezelfde manier.’

Om te begrijpen wat dat betekent, helpt het om de Noordzee als doorsnede te bekijken: van het luchtruim boven zee, via de waterkolom – zoals marine biologen het water tussen oppervlak en bodem noemen – naar de zeebodem. In elke laag leeft iets anders, en in elke laag wringt menselijk gebruik op een andere manier.

1. In de lucht

Jaarlijks trekken miljoenen vogels de Noordzee over, al zijn er ook een aantal vaste bewoners, zoals de jan-van-gent, noordse stormvogel en zeekoet. Vooral die laatste ziet zijn leefgebied kleiner worden. ‘Zeekoeten blijken 20 kilometer afstand te houden van grote objecten als windmolens’, zegt WUR-ecoloog Tobias van Kooten, die onderzoek deed naar habitatverlies van zeevogels. ‘Ze migreren zwemmend van het Verenigd Koninkrijk naar de Duitse Bocht. Als zij een windmolenpark tegenkomen, vormt dat mogelijk een barrière waar ze niet makkelijk omheen zwemmen.’

Ook voor de vogels en enkele vleermuizen die vliegend migreren, vormen windmolens een gevaar. ‘Ze kunnen niet meer bij hun foerageergebied, waar ze eten zoeken, of vliegen zich dood tegen de wieken’, zegt Van Onselen. Hoe groot dit probleem precies is, laat zich lastig tellen, zoals op land wel kan. Nieuwe turbines worden voorzien van camera’s en radarsystemen die botsingen detecteren, maar de data geven nog geen betrouwbaar beeld. ‘We weten nog niet of het echt invloed heeft op migratieroutes’, zegt Van Kooten, al deelt hij de zorgen over de aanvaringen. ‘Zeevogels leven doorgaans lang, maar produceren weinig nakomelingen. Als een zeevogel op jonge leeftijd geraakt wordt door een wiek, kan dat dus grote impact hebben.’

‘Je ziet dat wind op zee het braafste jongetje van de klas is’

Er wordt daarom hard gewerkt aan preventie: ‘Van gekleurde wieken tot het start-stop-systeem: een model dat windmolens tijdelijk uitschakelt als er vogeltrekken gaan komen’, zegt Van Onselen, die zelf meewerkte aan het Programma De Rijke Noordzee waarin onder andere onderzoek werd gedaan naar natuurvriendelijke windparken op zee. Volgens haar wordt de natuur steeds eerder in het proces meegewogen, bijvoorbeeld door windparken buiten migratieroutes van vogels te plaatsen en verzachtende maatregelen te nemen. ‘Je ziet dat wind op zee daarin het braafste jongetje van de klas is, juist omdat het nieuw is. Bij olie- en gasplatforms speelt natuurinclusief bouwen nauwelijks een rol. Al is er ook nog nooit een windpark niet gekomen vanwege milieubezwaren.’

2. Ter zee

Als we afdalen naar het water valt meteen één grote verandering op: als gevolg van klimaatverandering is de temperatuur van de Noordzee de afgelopen veertig jaar met 1,7 graad gestegen. ‘Omdat de Noordzee relatief ondiep is, stijgt de temperatuur sneller dan in andere zeeën’, legt Van Kooten uit. Voor inheemse, koudeminnende soorten wordt de Noordzee  daarom op sommige plekken te warm – zij trekken richting het noorden, terwijl warmteminnende soorten uit zuidelijker water juist hun intrede doen. Kabeljauw is in het Nederlandse deel nog maar nauwelijks te vinden en ook schol schuift op. ‘De kans dat ze nog terugkomen is klein’, zegt Van Kooten. Tegelijkertijd duiken soorten als zeebaars, ansjovis, octopus en pijlinktvis vaker op. Onderzoekers tellen ook steeds meer jonge – ongevaarlijke – haaien, die rond de Zeeuwse eilanden hun kraamkamer lijken te hebben.

Maar is het erg als soorten elkaar vervangen? ‘Dat is maar net hoe je ernaar kijkt’, zegt Van Kooten. ‘De natuur is veranderlijk en heeft een groot aanpassingsvermogen.’ Datzelfde geldt voor de visafslag, die ook een meer ‘mediterraans’ aanbod krijgt. Toch is niet elke verschuiving onschuldig. ‘Als de inktvis echt doorbreekt, kan dat grote gevolgen hebben voor het ecosysteem.’ Inktvissen groeien snel en jagen op garnalen en kleine vissen. Als zo’n roofdier massaal toeneemt, kan dat bestaande voedselketens ontregelen. Een paar jaar geleden bestond die zorg ook rond kwallen, herinnert Van Kooten zich: die eten plankton en ander voedsel waar jonge vissen van afhankelijk zijn, terwijl relatief weinig dieren kwallen eten. Als vissen daardoor minder voedsel vinden, kan dat hoger in de voedselketen doorwerken naar roofvissen, zeehonden en vogels.

‘Tijdens het heien van een windturbine wordt tegenwoordig gebruikgemaakt van een bellenscherm’

Voor zeezoogdieren als de bruinvis is het temperatuurverschil nog geen existentieel probleem. Meer last heeft hij van onderwatergeluiden, van onder meer de scheepvaart en boorplatforms, maar ook van bijvoorbeeld sonar, explosievenopruiming en baggeraars. ‘Bruinvissen zijn afhankelijk van hun gehoor om hun prooi te lokaliseren’, zegt Van Onselen. ‘Gehoorbeschadiging, zeker in combinatie met habitatverlies, kan ervoor zorgen dat ze geen of te weinig eten vinden om hun jong te voeden, of om zwanger te worden dat jaar. Zo kan een populatie toch snel worden aangetast.’

Daar staat tegenover dat er steeds meer regelgeving is om geluidsniveaus naar beneden te krijgen. ‘Tijdens het heien van een windturbine wordt tegenwoordig gebruikgemaakt van een bellenscherm, dat dempt het geluid’, zegt Van Onselen. Een bijkomend voordeel van windparken is dat er na de bouw geen andere activiteiten mogen plaatsvinden. ‘Er mag niet worden gevist, er mogen geen grote schepen doorheen, er wordt niet naar olie en gas geboord en er is geen zandwinning. Het is er eigenlijk vrij rustig.’

3. Op de bodem

Op de zeebodem is het daarentegen allerminst rustig te noemen. Zo komt er steeds meer hard substraat bij: denk aan funderingen van windturbines, steenstort rond kabels en pijpleidingen, kunstmatige riffen en bestaande scheepswrakken. Zulke structuren worden vaak in één adem genoemd met natuurherstel, omdat nieuw leven zich er aan kan hechten, maar Van Kooten relativeert dat beeld: ‘Er staan straks in de Nederlandse Noordzee zo’n duizend windmolens. Die zijn vooral boven water goed zichtbaar; onder water valt de impact van riffen wel mee. Ter vergelijking, er liggen al zo’n achtduizend wrakken. Over zo’n groot aantal hebben we het dus niet.’

Baptist voegt daaraan toe dat je vooral natuurlijke omstandigheden wilt creëren waarin verdwenen rifbouwers als de platte oester zich kunnen herstellen. ‘Er worden nu ook oude, dode perenbomen op de Noordzeebodem geplaatst om de biodiversiteit te vergroten. Die werken goed als kunstmatige schuilplek voor visjes, maar je krijgt er de platte oester niet mee terug’, zegt de ecoloog. Van Onselen benadrukt dat ook de ontmanteling van al die bouwwerken schade kan aanrichten.

Onder de huidige OSPAR-richtlijnen moet offshore infrastructuur na gebruik in principe  worden verwijderd, al wordt inmiddels nagedacht over natuurvriendelijker ontmantelen. Als zich rond een platform of windpark nieuw bodemleven heeft gevestigd, rijst namelijk de vraag of je dat na dertig jaar vergunning weer helemaal moet weghalen. ‘Of wil je misschien een stukje laten liggen? En wie is daar dan verantwoordelijk voor?’

Een andere grote stoorzender op de zeebodem is zandwinning. Per jaar halen we zo’n 25 miljoen kubieke meter zand uit de Noordzee, voor kustversterking en ophoogzand verder landinwaarts. ‘Bijna 10 procent van het totale Noordzeeoppervlak reserveren we hiervoor’, zegt Baptist, die onderzoek doet naar de effecten van zandwinning. Het probleem zit direct in de bovenlaag van de bodem. ‘In de bovenste 30 centimeter van het zand zit het leven’, zegt hij. ‘Zeeappels, zeesterren, krabben, schelpdieren, wormen; die haal je allemaal rechtstreeks weg.’

Vanwege de zeespiegelstijging zal er in de toekomst nog meer zand gewonnen moeten worden om de kust te versterken. ‘De kust zal meer eroderen, dus moet je er meer zand op leggen’, zegt Baptist. In de loop van deze eeuw verwacht hij krapte. ‘Bij IJmuiden en op Texel krijgen we nu al problemen om voldoende zand te vinden’, ziet Baptist.

‘Elke vierkante meter van de Nederlandse Noordzee is omgeploegd, letterlijk’

Daarom wordt nu meer onderzoek gedaan naar diepere zandwinputten. Ondiep winnen, tot ongeveer 2 meter, raakt een groter oppervlak zeebodem, maar zo’n gebied kan na verloop van tijd herstellen. Dieper winnen, tot zo’n 6 meter, spaart ruimte, maar kan langduriger schade achterlaten. Het is kiezen tussen twee kwaden. ‘Zo houdt de halfgeknotte strandschelp niet van zulke putten’, zegt Baptist. ‘Terwijl die schelp een belangrijke voedselbron is voor zwarte zee-eenden. En de zwarte zee-eend is weer een beschermde vogel waarvoor wij verantwoordelijkheid hebben.’

Maar de allergrootste boosdoener met de meeste impact op het bodemleven is de bodemberoerende visserij: sleepnetten die over de zeebodem worden getrokken, op zoek naar platvissen als tong en schol. Volgens OSPAR is 53 procent van de bodem van de Zuidelijke Noordzee aangetast door bodemberoerende visserij. ‘Elke vierkante meter van de Nederlandse Noordzee is omgeploegd, letterlijk’, zegt Van Onselen. Sommige leefgebieden, zoals de vroegere platte-oesterriffen, zijn hierdoor permanent verdwenen.

Kentering

De laatste jaren is wel sprake van een kentering, zowel bij de overheid als in de sector zelf. De visserij zit in zwaar weer: visgronden krimpen onder meer door nieuwe windparken en Brexit, brandstofkosten zijn torenhoog, regels worden aangescherpt – zoals de plicht om realtime locatiedata met overheidsinstanties te delen – en via uitkoopprogramma’s verdwijnen vissers uit de vaart. In twintig jaar tijd is de Nederlandse kottervloot bijna gehalveerd. In 2024 waren er nog 212 actieve kotters, samen goed voor 38 miljoen kilo vis en garnalen. Om een alternatief voor bodemberoerende visserij te faciliteren mét toekomst voor de vissers, onderzoekt staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur Silvio Erkens (VVD) inmiddels de mogelijkheid om de omstreden pulsvisserij nieuw leven in te blazen. Deze techniek, waarbij vissen via een elektrische puls het net in zwemmen, is verboden in de Europese Unie en heeft daarom weinig kans van slagen.

Hoe dan ook heeft strenge regulering ertoe bijgedragen dat sommige commerciële visbestanden – zoals haring – zich konden herstellen. ‘Maar er zijn ook nog een heleboel onbeschermde, niet-commerciële soorten. Die worden niet gemonitord, laat staan beschermd’, zegt Van Onselen. Denk aan wormen, schelpdieren, anemonen en andere soorten zonder quotum of marktwaarde.

Onmogelijke puzzel

En er gaan dus, zij het in mindere mate, nog altijd dagelijks sleepnetten over de Noordzeebodem – óók in Natura 2000-gebieden. Daar wringt het voor natuurorganisaties.

Op papier is zo’n 31 procent van de Nederlandse kust- en mariene wateren beschermd, ongeveer de VN- en EU-afspraak om in 2030 zeker 30 procent van land en water als beschermd natuurgebied aan te wijzen. Maar op zee blijkt ‘beschermd’ een rekbaar begrip: in het Noordzeeakkoord is afgesproken dat in 2030 slechts 15 procent van de Nederlandse Noordzee gevrijwaard moet zijn van bodemberoerende visserij. ‘De beschermde gebieden die we hebben, worden eigenlijk niet beschermd’, zegt Van Onselen.

‘De puzzel valt steeds lastiger te leggen, want de ruimteclaims worden alsmaar sterker’

Noordzeeoverleg-voorzitter Sybilla Dekker ziet ook dat het anders moet. ‘De 30 procent is zeker in zicht, maar er moet nog hard gewerkt worden wil Nederland dat halen’, zegt Dekker. Wat daar precies voor moet gebeuren (lees: wijken), zegt ze niet. ‘Ik snap dat het geduld van natuurorganisaties op is, maar we hebben te maken met een transitie. Het staat buiten kijf dat we op termijn af moeten van bodemberoerende visserij, maar dat kan niet in een vingerknip.’ Volgens haar hebben vissers tijd nodig om te investeren en te innoveren. Denk aan zuinigere motoren en netten die de bodem minder ‘omploegen’. ‘We moeten en-en doen.’

Dat is soms makkelijker gezegd dan gedaan, geeft Dekker toe. ‘De puzzel valt steeds lastiger te leggen, want de ruimteclaims worden alsmaar sterker’, zegt de NZO-voorzitter. ‘We proberen altijd tot consensus te komen, maar de neuzen staan niet altijd dezelfde kant op.’ Dat bleek al bij de start: de betrokken partijen uit de visserijsector wilden het Noordzeeakkoord aanvankelijk niet ondertekenen. In het volgende Noordzeeakkoord, na 2030, zal sowieso meer ruimte worden ingenomen door Defensie. ‘Denk aan meer ruimte voor militaire oefeningen op en boven zee, van schietgebieden tot mijnenbestrijding. Ook dit heeft effect op de natuur.’

Dekker hoopt daarnaast op meer internationale samenwerking tussen de zeven Noordzeelanden, ook qua natuurbescherming. ‘We moeten bij een nieuw Noordzeeakkoord verder denken dan het applaus van de Europese Commissie’, zegt Dekker. ‘In Brussel maken ze zich vooral druk om energieonafhankelijkheid. Maar de Noordzee is meer dan een plek voor windparken.’

‘Het is niet alsof de natuur zelf moet veranderen, onze manier van denken over de Noordzeenatuur moet veranderen’

Voor Van Onselen is het simpel: willen we duurzaam en organisch herstel van biodiversiteit? Dan moet de natuur met rust gelaten worden in zogeheten no-take zones, waar geen enkele vorm van menselijke exploitatie is toegestaan. Deze no-take zones zijn er nog nauwelijks, al werd in 2015 in de Voordelta – nabij de Brouwersdam – een natuurlijk oesterrif aangetroffen dat geheel zelfvoorzienend werkt. Oesters filteren het water en bouwen met hun schelpen een levende bodem waarop wieren, zeeslakjes, anemonen en jonge vis kunnen terugkeren. ‘Dit gebied is nu beschermd’, zegt Van Onselen. ‘Het is heel klein, maar een mooi voorbeeld van hoe het wél kan.’

Ook Van Kooten merkt op dat de natuur gebaat kan zijn bij het loslaten van het Nederlandse maakbaarheidsdenken. ‘Ik doe onderzoek naar de natuurtransitie, maar eigenlijk klopt die term niet. Het is niet alsof de natuur zelf moet veranderen, onze manier van denken over de Noordzeenatuur moet veranderen.’

Van Onselen denkt niet dat we ooit het rijke dierenpalet uit het Visboeck van Adriaen Coenen uit de 16de eeuw zullen terugzien, maar met goede inzet en hard werk is een gezond en veerkrachtig ecosysteem wel mogelijk. ‘Dan kan zelfs de walvis terugkomen.’

Over de auteur

Ruben Wissing (1994) is freelance journalist vanuit Oslo. Hij schrijft graag over klimaat, politiek en Scandinavië,  voor onder meer Vrij Nederland. Zijn werk verscheen eerder bij WinqVice en NOS.