Er zitten stekels op onze steden. Je hoeft niet lang om je heen te kijken in Amsterdam, Rotterdam, Groningen of Maastricht om een portiek vol punten te zien, of een vensterbank met hoekige plinten. Het doel is simpel, de boodschap zonneklaar: hier niet liggen, hier niet zitten, hier niet zijn.
Dit soort sturende ontwerpen, die ongewenst gedrag moeten voorkomen, zitten ingebakken in de Nederlandse steden. Vaak zijn ze niet eenvoudig te herkennen, maar subtiel in het straatbeeld opgenomen. Neem de leunsteun in bus- en tramhaltes. Voor de meeste mensen is het precies dat: een steun om tegen te leunen, net comfortabel genoeg om de tram af te wachten. Maar je kunt er niet op zitten. Laat staan liggen. En op de grond na is er geen alternatief.
Of neem een bankje met wel erg veel armleuningen. Eén leuning is handig, maar veel leuningen maken het onmogelijk om te gaan liggen. Dat geldt ook voor stoelen die net breed genoeg zijn om op te zitten, muurtjes met een steil aflopende rand en overdekte plekken met een oneffen, onprettige ondergrond van opstaande bakstenen.
Onprettig design
Hostile architecture wordt deze ontwerpstrategie genoemd. Vijandige architectuur. Het kent veel vormen en namen met diverse intonaties – defensieve stedenbouw, hostiel stadsontwerp, onprettig design – maar is consistent in wat het wil doen: dat wat ongewenst is, afweren.
De laatste vijftien jaar wordt de strategie steeds meer en over de hele wereld toegepast, en neemt de kritiek erop toe. In NRC werd onlangs zelfs tot een verbod opgeroepen. Hostiele ontwerpen richten zich op gedrag, op mensen, en specifiek op degenen die veel tijd doorbrengen in de openbare ruimte of er zelfs afhankelijk van zijn. Denk aan jongeren die nergens anders kunnen hangen dan op straat. Of aan mensen die geen geld hebben voor het café. Of aan daklozen, die niet anders kunnen dan zich ophouden in de openbare ruimte, maar daar niet kunnen liggen, zitten, zijn.
In haar boek De eenzame eeuw omschrijft de Britse denker Noreena Hertz vijandige architectuur als een ruimtelijke uiting van ongelijkheid: het maakt duidelijk wie er wel en wie er niet welkom is in de stad. Nu het aantal daklozen in Nederland snel toeneemt – het Leger des Heils constateerde eind 2022 een stijging van bijna 25 procent, en onder jongeren tussen de 18 en 22 jaar van wel 50 procent – strekt die afwijzing zich tot steeds meer mensen uit.
Vijandige architectuur heeft effect op iedereen. Voor ouderen, zwangeren en mensen met een beperking is een bushalte zonder zitplaats ook miserabele boel. Een bankje dat onprettig is voor daklozen, is dat voor ons allemaal.
Public Space Detective
Floor van Ditzhuyzen, architect en openbare ruimte-expert, doet al een paar jaar onderzoek naar de gastvrijheid van Rotterdam. Onder het pseudoniem Public Space Detective inspecteert ze parken, pleinen en straten, en doet daar op een weblog verslag van. Ze begon ermee tijdens corona, toen steden over de hele wereld leegliepen en de openbare ruimte plotseling in limbo verkeerde. ‘Covid was voor veel mensen een eerste kennismaking met een stad waar minder in kan en minder in mag. Voor andere groepen is dat de realiteit van alledag.’
Van Ditzhuyzen omschrijft haar speurwerk als close reading public space. Door goed te kijken, laat ze de straten zelf spreken. Een concentratie van sigarettenpeuken wijst op een ontmoetingsplek. Slijtage aan een bankje op veel gebruik, leuningen of beugels op een poging liggen te verhinderen. Ze ziet steeds vaker pijnlijke, soms zelfs agressieve aanpassingen aan gebouwen en meubilair. Of apparaatjes die jongeren verjagen met een hoge piep. Mosquitoes, heten die. Ongedierte. Ook ziet ze dat bankjes worden weggehaald zodat er geen plek overblijft om elkaar te treffen. Ghost amenities, heet dat, vrij vertaald als spookvoorzieningen. Zo werden op 10 februari alle bankjes in de stationshal van Rotterdam Centraal verwijderd vanwege klachten over overlast.
Om de stad goed te leren lezen, vertelt Van Ditzhuyzen, moet je je eerst bewust worden van een belangrijk verschil. In tegenstelling tot in Engeland, waar zo’n beetje alles public space wordt genoemd, bestaat er in Nederland een onderscheid tussen openbare en publieke ruimte. Openbaar is alle ruimte die van de stad is, en dus van ons allemaal. Hier is de gemeente verantwoordelijk, de politie de handhavende partij en ons gedrag aan de wet gebonden. De publieke ruimte is voor iedereen begaanbaar, maar wel privé-eigendom. Denk aan stations, warenhuizen en bibliotheken. Hier zijn particuliere beheerders en beveiligers de baas, worden te pas en te onpas camera’s opgehangen en gelden naast de wet ook speciale regels. Zo heb je op straat het recht om te demonstreren, maar op Schiphol niet. Vaak is de grens tussen openbare en publieke ruimte diffuus, en in sommige gevallen – zoals bij stations – haast onzichtbaar.
In beide domeinen worden vijandige ontwerpen geplaatst. In de openbare ruimte door de gemeente, in de publieke door een private partij. Het is het verschil tussen bankjes met veel leuningen in de binnenstad en de stekels op de vensterbank van een McDonald’s. In dit opzicht is de grens tussen de twee domeinen snoeihard, vertelt ze. ‘Voor een reclamebord moet je een vergunning aanvragen en precario betalen. Maar dat geldt niet voor vijandige ingrepen aan of op een gebouw. Ik heb de regelgeving erop nagekeken: een particulier mag zoveel stekels plaatsen als hij maar wil, de gemeente kan er niets aan doen.’
Erger dan de kwaal
We lopen over de winderige straten en onder de hoge torens van Rotterdam door. Van Ditzhuyzen leidt me naar het Weenahuis, een gebouw met een overdekte arcade naast een lawaaiige boulevard. Ze inspecteert de omgeving en vertelt me wat ze ziet. De vloer is egaal en dus ideaal om te skaten. Dat wordt ook gedaan: de richels van de panden aan de arcade dragen de slijtsporen van grinds en slides. Om het skaten te verhinderen zijn er beugels voor de richels geplaatst. Het lijkt mij afdoende, maar toch is het er niet bij gebleven. Op de vloer zijn stenen plinten bevestigd. Drempels. Ze komen een kleine centimeter boven de grond uit en vormen een mooi patroontje, wat niet wegneemt dat je hier enorm op je muil kunt gaan.
Halverwege de jaren tachtig begonnen Amsterdam en Rotterdam te veranderen in dienstensteden en gingen ze de verpaupering te lijf met stadsvernieuwing.
De situatie is typerend, zegt Van Ditzhuyzen. Er is een probleem – het Weenahuis ervaart overlast van skaters – en dat wordt verholpen met een remedie die vele malen erger is dan de kwaal. Eén moment van onoplettendheid en je gaat onderuit. Nog los van de ellende die het veroorzaakt voor mensen in een rolstoel of met een rollator. ‘Dit lijkt openbare ruimte, maar het is publiek. Omdat de grens vaag is, straalt het af op de hele stad. Toch moet de gemeente het gedogen.’
Van Ditzhuyzen peinst over de schuldvraag. Stel dat je hier een paar tanden achterlaat, wie is er dan aansprakelijk? Het Weenahuis of de Gemeente Rotterdam? ‘Ik denk beide,’ zegt de detective. ‘De eigenaar omdat die het heeft geplaatst en de gemeente omdat er niets aan wordt gedaan.’
Picknicken
Vijandige architectuur is allesbehalve nieuw. In de middeleeuwen stelden steden zich verdedigend op met torens en muren, en werden binnen die muren de grenzen tussen de standen gehandhaafd met hekken en kerels met hellebaarden. Begin vorige eeuw was er in de Nederlandse steden nog een helder onderscheid tussen het private en openbare. In de jaren zestig ontspande die grens wat. Zo veranderde ons gebruik van parken – was het eens verboden het gras te betreden, nu gingen we erop picknicken.
In de jaren zeventig ging er weer een andere wind waaien. Grote steden kregen grote problemen. Stadscentra raakten in verval, mensen trokken weg en er hingen veel daklozen en verslaafden rond. De overlast op straat en in stations was nijpend, gemeenten grepen steeds harder in, vijandige architectuur maakte een comeback. Halverwege de jaren tachtig kwam de omslag. Amsterdam en Rotterdam begonnen in dienstensteden te veranderen en gingen met stadsvernieuwing de verpaupering tegen.
Rond de eeuwwisseling deed in Amsterdam de term gentrificatie zijn intrede, eerst als iets louter positiefs: opwaardering van wijken door de inzet van bewoners. Pas later kwam de onvrede. In het nieuwe millennium was Rotterdam aan de beurt. Met de omstreden Rotterdamwet werden mensen met een laag inkomen geweigerd in bepaalde wijken en kreeg de welvarende middenklasse er voet aan de grond. Galeries, bio-winkels, hippe cafés: anno 2023 is de stad er mooier, schoner en veiliger op geworden, net als Amsterdam.
Niemand verlangt terug naar de Zeedijk van de jaren zeventig en tachtig of het Rotterdam Centraal van de junks en de dealers. Maar de vraag is wat de transformaties ons precies hebben gekost.
Een scherf = meer scherven
In De eenzame eeuw wijt Noreena Hertz de wereldwijde opleving van vijandige architectuur aan de theorie van de gebroken ramen, van de Amerikaanse criminologen James Wilson en George Kelling. In 1982 stelden zij in een invloedrijk artikel dat omgevingen die al vervuild zijn, nog meer vuil aantrekken. Zoals een gebouw met een gebroken raam vandalen aantrekt die nog meer ramen inslaan. Een scherf = meer scherven, was hun formule. Door de stad goed te onderhouden en schoon te houden, zou overlast voorkomen worden. De theorie is fel bekritiseerd, vooral vanwege het criminaliseren van gedrag dat niet crimineel is. Rondhangen, buiten slapen, op een bankje zitten en om je heen kijken – dat alles wordt als verkeerd bestempeld omdat het criminaliteit in de hand zou kunnen werken. Volgens critici ontaardde de theorie in New York City, waar die in de jaren negentig het veiligheidsbeleid bepaalde, tot het stigmatiseren en zinloos opjagen van bedelaars en daklozen.
Ook Nederland is gevoelig gebleken voor de theorie. Zonder redelijk doel rondhangen – wat dat ook mag betekenen – is hier strafbaar. En een gebroken raam zie je zelden. Graffiti wordt snel verwijderd, een gevel snel gerenoveerd, de stoep snel leeggeveegd.
Not in my back yard
Niemand is fan van stekels, maar iedereen wil zich prettig voelen in de stad. Is vijandige architectuur een noodzakelijk kwaad?
In de sociale wetenschappen is er uitgebreid onderzoek gedaan naar de NIMBY-mentaliteit van veel stedelingen. NIMBY staat voor not in my back yard en slaat op de tegenstrijdige instelling van veel stadbewoners. Ze zijn vaak voor sociaal progressief beleid en zien zichzelf als empathisch, maar willen niet op eigen kwaliteit van leven inleveren. Dit vertaalt zich naar medeleven op metaniveau (sociaal stemmen, doneren aan goede doelen) met tegelijk een hardere opstelling in de directe omgeving. Niemand wil daklozen in zíjn of háár portiek, of een groep jongeren onder het raam.
Maar wat is overlast? Hinder ondervinden is per definitie een beleving, en die kan flink afwijken van de meetbare werkelijkheid. En waar de massale overlast van een dronken uitgaanspubliek als acceptabel wordt ervaren, wordt het van de enkele dakloze al snel als not done bestempeld. De norm is economisch ingestoken en dus fluïde. Mocht overlast nu echt overlast zijn, kan een praatje wonderen verrichten. Zo niet, dan is er nog altijd de politie om op terug te vallen. Door de aanpak van overlast in de handen van mensen te laten is precisiewerk mogelijk, met oog voor alle betrokkenen en hun situaties. Vijandig ontwerp is daar het tegendeel van.
Opgeruimd staat netjes
Ik spreek buiten af met ‘Jacco’, die niet met zijn echte naam in de media wil. Hij is achterin de twintig, draagt een platte pet en een gouden ketting, en bestiert de Instagrampagina Dutch Hostile Architecture, die in anderhalf jaar tijd duizenden volgers vergaarde. De pagina is een verzamelbak van vijandige ontwerpen van eigen bodem. Elke foto gaat vergezeld van een locatiebepaling – Zwolle, Nijmegen, Utrecht – en een nihilistisch grapje. De rechtopstaande bakstenen onder een brug viert hij om ‘de gratis rugmassage’, een bushokje zonder zitplaats om ‘het stimuleren van een actieve houding’, een met linten afgezet bankje is ‘moderne kunst’. Onder de foto’s kwade, verbaasde en verontwaardigde reacties.
De humor is noodzakelijk, legt Jacco uit. Op een post met een ernstige tekst wordt hij meteen afgerekend. ‘Niemand wil de les worden gelezen. Met een grap komt het indirect binnen.’ Voor veel mensen is de pagina een eyeopener, vertelt hij. ‘Wie zich soepel door de ruimte beweegt, is zich minder bewust van de beperkingen voor anderen. Maar als ze het eenmaal zien, zien ze het overal – want het is overal. Het zijn uitingen van problemen die al veel eerder beginnen. Dáár wil ik mensen bewust van maken. Een oververhitte woningmarkt, wachtlijsten in de ggz, een falend asielbeleid, schulden. Er hoeft niet veel mis te gaan en je bent dakloos. Omdat veel voorzieningen zijn wegbezuinigd, moeten sommige mensen zich wel ophouden in de openbare ruimte, waar ze dan als overlast worden ervaren. De oplossing voor dit alles? Stekeltjes in plaats van bedden. De ruimte is verpest en het probleem is niet opgelost, alleen maar verplaatst.’
Jacco laat twee foto’s zien van de Woenselse Markt in Eindhoven. Op de ene foto zitten mensen op stoelen, op de andere, nieuwere foto zijn de stoelen verwijderd en is niemand te bekennen. Opgeruimd staat netjes, heeft hij erbij gezet. ‘Dat is pas vijandig. Je maakt een plek niet onprettig, je heft hem op.’
De ongelijkheid is tot op de meter nauwkeurig, vertelt hij. Neem een terras. Daar mogen betalende gasten alcohol consumeren, maar op een openbaar bankje een paar meter verderop is dat strafbaar. Wel of geen geld is hier het verschil tussen wel of geen recht op een biertje.
Om tot een rechtvaardige stad te komen, moeten we ons idee van ‘normaal’ herzien, vindt Jacco. Hij wijst de straat in. Links en rechts huizen, daarvoor de stoep, een reeks geparkeerde auto’s en dan de weg. Heel gewoontjes, denk ik. Maar: ‘Nergens kun je zitten, behalve bij een café. De weg en de parkeerplaatsen zijn er voor de auto’s. Wat blijft er dan nog over? Een beetje stoep. Je kunt er niet rusten, niet spelen. De straat kan al zoveel beter. Laat staan de stad.’
Vriendelijke bankjes
Waar de ene activist de weg van de grap bewandelt, hanteert de andere de schroevendraaier. Ik spreek af met Louise en Tomas. Ze zijn rond de dertig, zien eruit alsof ze veel buiten zijn en praten bedachtzaam. Ook zij gebruiken liever schuilnamen. Beiden zijn lid van de Vriendelijke Bankjes Bond (VBB). De missie van de VBB is simpel: onvriendelijke bankjes vriendelijk maken. ‘Elke keer als ik die leuningen zag, werd ik boos en verdrietig,’ vertelt Louise. ‘Meestal verloopt uitsluiting geniepig, maar dit is zó zichtbaar. Een paar vrienden en ik besloten er iets aan te doen. In no time sloten allerlei mensen zich bij ons aan.’ Tomas: ‘Toen ik voor het eerst een leuning losmaakte, dacht ik: alles hangt aan elkaar met schroeven, je hebt alleen de juiste schroevendraaier nodig. Dat was een machtig gevoel.’
‘Het komt neer op de vraag wie er recht heeft op de stad. De gemeente zegt: “de rijken”, er is keihard ingezet op gentrificatie.’
In het begin ging de VBB heel behoedzaam te werk. Gedurende een week en los van elkaar brachten de leden een stadsdeel in kaart. De bankjes waren niet moeilijk te vinden: doken ergens daklozen op, dan plaatste de gemeente er niet lang daarna leuningen. Toeslaan gebeurde in de avond. Iemand op de uitkijk en de rest schroeven, bankje voor bankje. Bij elk meubel lieten ze één leuning over, mocht een mindervalide er gebruik van willen maken. In één nacht hebben ze alle bankjes in het Flevopark in Amsterdam aangepakt. Het is nog steeds hun record, ook omdat de VBB inmiddels anders werkt. Ze stellen elkaar op de hoogte als ze een onvriendelijk bankje zien, en wie er later langskomt of in de buurt woont, doet de ingreep. In de rugzak van Louise zit altijd een schroevendraaier.
De VBB merkt dat het escaleert. Eerst waren de schroefkoppen nog open, nu heeft de gemeente ze dichtgekit. Eerst waren de leuningen aanpassingen op al bestaande bankjes en dus makkelijk weg te halen, nu liggen ze in het ontwerp besloten. En tegen spookvoorzieningen is het al helemaal lastig optreden. ‘We vinden wel nieuwe manieren,’ zegt Tomas. ‘Het is een kwestie van in beweging blijven en de overheid blijven uitdagen.’ Louise: ‘Het komt neer op de vraag wie er recht heeft op de stad. De gemeente zegt: “de rijken”, er is keihard ingezet op gentrificatie. Daar zijn wij het niet mee eens. De stad is van iedereen, ook van de mensen die het minder breed of fucking zwaar hebben.’
Nauwelijks ontmoetingsplekken
De Straatadvocaat, een belangenbehartiger van daklozen in Rotterdam, meldt desgevraagd dat er nauwelijks ontmoetingsplekken over zijn in de stad. Daklozen worden weggedrukt naar industriegebieden, haventerreinen en kreupelbosjes in de periferie. Dat zegt ook de Daklozenvakbond in Amsterdam. Door vijandige architectuur en handhaving worden dak- en thuislozen verdreven uit het centrum, terwijl daar tegelijkertijd de zorginstellingen, opvangcentra en kansen op een nieuw begin zitten.
In de grootstedelijke gemeenteraden is de toegankelijkheid van de openbare ruimte slechts sporadisch aan bod gekomen. In Amsterdam zijn er vragen gesteld over het verdwijnen van bankjes in bus- en tramhaltes, waarop werd gezegd dat er bij veel haltes te weinig ruimte is – rolstoelen en kinderwagens moeten ook in de abri passen. In Rotterdam is veel te doen geweest over het Museumpark, waar een asfaltvlakte die populair was bij skaters, inliners en dansers zonder goed overleg plaats moest maken voor grasvelden, fonteinen en skatestoppers. Ook het recente verwijderen van de bankjes in Rotterdam Centraal heeft veel stof doen opwaaien. Zo zijn er in de stationshal demonstraties gehouden en is de kwestie aangekaart in de actualiteitenraad.
In Amsterdam is het onderwerp één keer algemener aangesneden. In de zomer van 2021 schreven Jenneke van Pijpen en Zeeger Ernsting van GroenLinks aan het college dat de stad zich onvriendelijk opstelt tegenover mensen die hun dagen op straat doorbrengen. Ze vroegen naar het beleid voor openbare voorzieningen en de bereidheid om met private partijen te praten over hun stekels, plinten en andere narigheid. Daarop antwoordde toenmalig wethouder Laurens Ivens dat de bankjes alleen maar leuningen hebben vanwege het zitgemak, en dat er geen beleid is om mensen weg te houden. Alleen bij uitzondering kan de gemeente optreden, stelde Ivens. Als bewoners klagen, kunnen bankjes worden weggehaald. Over private partijen was Ivens duidelijk: zij zijn verantwoordelijk voor hun eigen terreinen, of die nu wel of niet publiek toegankelijk zijn.
In onder meer NRC werd geschreven dat burgemeester Femke Halsema heeft toegezegd dat er geen nieuwe vijandige architectuur komt, maar dat is niet het geval. Er is nog geen politiek gevolg gegeven aan de groeiende kritiek op vijandige architectuur.
Opgepoetste appel
In private ruimten is toegankelijkheid per definitie een dingetje. Vaak moet je er betalen, bepaalde regels volgen en aan eisen voldoen. Ligt de grens van de openbare stad wel vast?
Els Leclercq is stedenbouwkundige en promoveerde aan de TU Delft op privatisering van de openbare ruimte. ‘Dat proces kent veel vormen,’ vertelt ze. ‘De meest directe vorm is openbare ruimte die in private handen belandt, zoals de Koopgoot in Rotterdam. Het kan ook niet-commercieel zijn, zoals de aanleg van een moestuin op een braakliggend veldje. Dergelijke initiatieven zijn populair omdat ze lokale tomaten opleveren en goed zijn voor de buurtdynamiek, maar je kunt er niet meer picknicken of voetballen. Een terras dat uitbreidt, zoals tijdens covid, is ook een voorbeeld. Maar de privatisering van de stad gaat verder dan het direct innemen van openbare ruimte. Het gaat ook om het publieke karakter.’
Het is lastig om te zeggen wat dat karakter precies is, vertelt ze. Het heeft te maken met de toegankelijkheid van de openbare ruimte, met wat je er kunt en niet kunt, en bovenal of je het je spontaan kunt toe-eigenen. ‘Spontaniteit wordt vaak aan banden gelegd als een ruimte wordt overgenomen. Commercieel ingestelde partijen houden niet van verrassingen. Ze willen een risicoarme ruimte, waar mensen ongehinderd kunnen consumeren.’
Het uitschakelen van spontaniteit, het beknotten van het publieke karakter, dat is waar privatisering écht om draait, vertelt ze. ‘Niet alleen private partijen doen dat – de overheid doet het ook. We zijn er zelf ook schuldig aan. Nu de stad dichter bevolkt raakt, neemt de overlast toe en onze tolerantie af. Dat is wat we aanvoelen. De stad is minder vrij.’
Van privatisering in directe zin heeft de stad niet zoveel te vrezen, zegt Leclercq, van beknotting wel. ‘De vele bewakingscamera’s en de hostiele ontwerpen zijn controlemiddelen. We worden in toom gehouden en jongeren en daklozen worden geweerd. Zo wordt consumptiegedrag bevorderd. In een winkelgebied zijn zwervers en skaters bad for business.’
Het verdrukken van mensen is schadelijk voor de stad, vindt Leclercq. ‘Verschillende mensen willen de openbare ruimte innemen, en dat leidt tot conflict. In dat conflict wordt het publieke debat gevoerd, en dus ook het publieke karakter gevormd. Als een groep wordt verwijderd uit het straatbeeld, kom je daar niet meer mee in contact. En kun je je er ook niet meer toe verhouden. Als ik geen dakloze zie, dan denk ik: die zijn er dus niet. Zo kom je in een bubbel terecht, in een valse realiteit. Ik noem het een opgepoetste appel.’
‘Iedereen die in de stad wil wonen, moet er kunnen wonen. Hoe divers het achter de voordeuren is, zo divers is het op straat.’
Het doet denken aan wat stadscriticus René Boer heeft omschreven als de Smooth City. Een stedelijk gebied zonder schuring, waar alles glad, perfect en gepolijst aanvoelt. Alle gebouwen zijn splinternieuw of net gerenoveerd, de openbare ruimte is foutloos ontworpen en brandschoon, op straat is het rustig en veilig – mits je je aan de regels houdt. Iedereen is er jong, mooi en succesvol. Een ander type mens heb je er niet. Een stad als een grote, glanzende, bikkelharde appel.
Zo ver hoeft het niet te komen, stelt Leclercq me gerust. Privatisering hoeft niet slecht te zijn. Als het publieke karakter van een stad sterk genoeg is, kan dat overvloeien in private ruimten. Denk aan een café of een theater dat juist bijdraagt aan de sfeer van de stad. Uiteindelijk komt het op de eigenzinnigheid van de stadbewoners aan.
Zo divers
Nu ik heb gesproken met de mensen die de leuningen van bankjes schroeven, wil ik ook praten met degenen die ze erop zetten. Hoe denken beleidsmakers over de toegankelijkheid van de stad?
‘De openbare ruimte is een plek waar verschillende mensen om verschillende redenen en op verschillende momenten van de dag aanwezig zijn,’ zegt Jos Gadet, hoofdplanoloog bij de Gemeente Amsterdam. ‘Maar dat het van iedereen is, wil niet zeggen dat alles mag. Er is gedrag dat niet kan. Meestal hoeft dit niet gehandhaafd te worden. Omdat er zoveel mensen in de stad zijn, passen ze zich ook aan elkaar aan. De stedelijke samenleving ordent zichzelf.’
Meer dan ooit is de openbare ruimte belangrijk voor bedrijven om zich in een stad te vestigen, zegt Gadet. ‘Er is een reden waarom Booking.com in het stadshart wil zitten. Het talent dat ze willen aantrekken, wil contact met de stad. Dichtheid van interactiemogelijkheden, dat is wat een stad is en wat zo’n stad aantrekkelijk maakt. Dat moeten we blijven vertellen. Aan onszelf, aan elkaar, aan investeerders. Anders gaat het mis.’
Uitdagingen ziet hij wel, met huisvesting op nummer één. ‘Iedereen die in de stad wil wonen, moet er kunnen wonen. En beïnvloedt de openbare ruimte. Hoe divers het achter de voordeuren is, zo divers is het op straat.’
Één grote balanceeract
Annemieke Fontein ontfermt zich als hoofd landschapsarchitectuur over het ontwerp en de realisatie van openbare ruimten in Rotterdam. ‘Na het bombardement is er als een gek gebouwd. Veel winkels en veel kantoren, maar weinig woningen. In 2008 waren er maar drieduizend woningen in de binnenstad. Toen hebben we ingezet op woonbebouwing, en een aantrekkelijkere openbare ruimte aan de hand van het binnenstadplan City Lounge. In goed overleg met ondernemers hebben we van het centrum een gastvrije plek gemaakt.’
City Lounge. Het klinkt als een cocktailbar op een luchthaven. Consumeren en flaneren in droge lucht. Maar de gedachten achter het plan staan niet op gespannen voet met het publieke karakter van de openbare ruimte, vindt Fontein. ‘In elke westerse stad is de consumptie op straat toegenomen. Mensen willen nu eenmaal cappuccino, daar hebben wij alleen maar op gereageerd. Bovendien is wat wij noemen “balans in gebruik” een prioriteit gebleven. Dat wil zeggen dat het aantal betaalde zitplaatsen overeen moet komen met het aantal onbetaalde.’ Vooral waar de stad vergroent, verschijnen veel nieuwe ontmoetingsplekken, vertelt ze. ‘Groen lokt mensen naar buiten. Ook degenen die kwetsbaar zijn, zoals ouderen.’
Fontein kan zich niet vinden in het label ‘vijandige architectuur’, maar ze bevestigt wel dat de gemeente gedragssturende ingrepen doet. ‘Er zitten leuningen op onze bankjes die liggen tegengaan, al zijn ze er ook voor het gemak. De openbare ruimte is voor iedereen, dus mag niet opgeëist worden. Skaters en daklozen kunnen zich met hun gedrag een ruimte toe-eigenen.’ Bovendien lopen de kosten door schade snel hoog op, zegt ze. ‘Onderhoud is duur. Ik snap dat beheerders sneller zeggen: zet er maar een skatestopper op.’
‘De druk op de openbare ruimte is hoog. Het is één grote balanceeract.’
Ook de rechtopstaande bakstenen onder de brug van het Museumpark kan Fontein verklaren. ‘Daklozen gooiden de lampen kapot omdat ze niet konden slapen. Slapen in de stad is sowieso een groot probleem. Het vervuilt enorm. Plastic. Ontlasting. Dat kun je niet hebben.’
Op de vraag of het probleem ook bij de wortels wordt aangepakt, antwoordt ze: ‘De opvang is niet toereikend, al verschilt dat per seizoen. En er zijn mensen die niet in de opvang willen. Als dat er tien zijn, is het geen probleem, als dat er vijfhonderd zijn wel. Op straat gaan de gemeentewerkers er heel goed mee om. Ze knijpen een oogje dicht als het kan en grijpen in als het moet.’
Niet de toegankelijkheid, maar de commercialisering van de openbare ruimte baart Fontein de meeste zorgen. ‘Sinds covid is het gebruik geëxplodeerd. De terrassen hebben meer ruimte gekregen, het wemelt van de bezorgservices en onze stoepen zijn afgeladen met deelscooters. Terwijl er zoveel lege winkels zijn. Laat Felyx en Check een pand huren en binnen parkeren. Verzin er wat op.’
Ze verzucht: ‘De druk op de openbare ruimte is hoog. Het is één grote balanceeract.’
Tolerante stad
Commercialisering, privatisering, uitsluiting: de grote bedreigingen voor de openbare ruimte hangen samen met de vermarkting van de stad. De economie is leidend en dat gaat gepaard met verwachtingen. Dat je je goed gedraagt. Geld uitgeeft. Voor ander gedrag is niet veel plaats, de stad duwt arme mensen van zich af.
Dat dit anders moet, is duidelijk. Iedereen die ik heb gesproken – experts, activisten én ambtenaren – erkent het belang van frictie. Het staat zelfs op gemeentelijk papier. Zo profileert Amsterdam zich als ‘open en tolerante stad’, en presenteert Rotterdam zich in officiële uitingen als ‘plek voor iedereen’.
Om te worden wat de steden zelf beweren te zijn is een confrontatie met private partijen onvermijdelijk. Nog belangrijker is een kritische kijk op het eigen ingrijpen. De gemeenten stellen met klem dat er geen beleid is dat mensen uitsluit, maar moeten zich afvragen wanneer de som van de vele ingrepen op beleid begint te lijken, of het zelfs al ís.
Bewust van de verharding
‘Steeds meer mensen worden zich bewust van de verharding,’ zegt Public Space Detective Floor van Ditzhuyzen. ‘Maar uiteindelijk moet je in gesprek met de macht.’ Ze vertelt over het fenomeen strooiscooters: deelscooters die overal in de stad worden achtergelaten. Het levert onwerkelijke beelden op. Onbemand staan ze op trambanen, in de struiken, voor de roltrap. Ze ziet er een gebrek aan verantwoordelijkheidsgevoel in. Eerst denk ik dat ze het over de scooters heeft, maar dan begrijp ik dat het haar om de stad gaat. ‘Het is niet gek dat mensen dingen dumpen, dat ze slordig met de openbare ruimte omspringen. Vijandigheid brengt onverschilligheid teweeg.’
Jacco is inmiddels een tweede pagina op Instagram begonnen: Dutch Cars Suck. ‘Niet alleen maken auto’s veel slachtoffers door fijnstof en ongevallen, ze nemen ook heel veel plaats in.’ Hij wijst op een onderzoek van Milieudefensie dat aantoont dat meer dan de helft van de openbare ruimte in onze steden opgaat aan de auto, terwijl veel minder dan de helft van de stedelingen er een heeft. ‘Het ontbreekt aan een antwoord op een fundamentele vraag: wie heeft er recht op de stad? Wij allemaal of een paar rijken?’ De herovering van ruimte op de auto is nog maar het begin, zegt hij. ‘Het gaat erom wat je met de stad doet. Wordt het een ruimte waarin het fijn is om te verblijven, waar je schone lucht inademt en mag uitrusten, waar je mens kunt zijn?’
Ook de Vriendelijke Bankjes Bond blijft bezig. Sterker nog: de VBB heeft iets gevonden op spookvoorzieningen. Louise vertelt: ‘Na jaren van leuningen weghalen hebben we nu een hele berg ijzer liggen. Daar willen we nieuwe bankjes van lassen. Die gaan we neerzetten op plekken waar de gemeente zitplaatsen heeft weggehaald. IJzer is koud, dus ideaal zit het niet, maar goed, alles beter dan niets.’
De namen van Jacco, Louise en Tomas zijn bekend bij de redactie.




Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.
Veel woorden voor maar één wezenlijk onderwerp: De taken van de Gemeente, wat biedt zij daarvoor aan en hoe uitgevoerd. Cappuccino\’s faciliteren?
Welke bijdrage kan de insteek educatie in brede zin, leveren aan de stad is er voor alle activireiten o.a. onderwijs, clubs, uitbaters horeca, media etc.etc.