Achter de grote etalageramen van een hoekpand in de Utrechtse Vogelenbuurt is het een komen en gaan. Drie mannen van verschillende leeftijden hangen rond in de voorkamer, bladeren door papieren, telefoneren. Een vierde man zit met zijn hoofd in zijn handen op een bank. Een vijfde zit achter de computer: een kopie van zijn identiteitsbewijs rolt paginagroot uit de printer. Op een stoel in de hoek ligt een stapel dekbedden en kussens, in de boekenkast staan naast elkaar een Roemeenstalige bijbel en een Pools boek over verslavingszorg. De enorme bak koffie die ik krijg, lijkt te zeggen: hier zijn we gewend om er nog even tegenaan te moeten.
Dit is het hoofdkantoor van Stichting Barka, een van origine Poolse organisatie die dakloze arbeidsmigranten uit Midden- en Oost-Europese landen, maar ook steeds meer uit bijvoorbeeld Spanje, in Nederland helpt. Voor me zitten de Poolse Daria Ceplin en de Roemeense Larisa Melinceanu, coördinatoren van de stichting, die ook in onder andere Den Haag, Eindhoven, Nijmegen, Antwerpen en Londen actief is. Barka heeft kantoren in meerdere steden, maar het leeuwendeel van hun werk vindt plaats op straat. ‘Er is maar zoveel wat je kunt doen achter een computerscherm,’ zegt Melinceanu. ‘De grootste problemen zijn op straat, en dat is ook waar de doelgroep is.’
Hun werk doen ze in samenwerking met lokale en landelijke (hulp)organisaties, zoals het Leger des Heils, de Straatdokter, penitentiaire inrichtingen, ziekenhuizen en ambassades. De mensen die ze helpen zijn vaak mannen, maar er zijn ook vrouwen en jongeren bij. Het zijn mensen die verstrikt zijn geraakt in een web van onvervulde dromen, schaamte, ingewikkelde bureaucratie en meer dan eens malafide uitzendbureaus.
Grootschalige uitbuiting
Het ontstaan van de problemen loopt parallel aan het toetreden van Polen tot de Europese Unie in 2004 en daarna tot de Schengenzone in 2007. Doordat Polen, en later ook Bulgaren en Roemenen, in alle EU-landen aan het werk konden, kwam een grote stroom van deze arbeidsmigranten op gang, voornamelijk naar Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. De lonen waren daar hoger dan in het herkomstland, maar regelgeving rond arbeidsvoorwaarden ontbrak, wat een vruchtbare bodem bleek voor grootschalige uitbuiting van arbeidsmigranten. Uitzendbureaus doen grote beloften om arbeidsmigranten naar Nederland te halen, en komen die vervolgens niet na. In samenwerking met de FNV verzamelde journaliste Hassnae Bouazza talloze getuigenissen daarvan in haar boek Arbeidsmigranten in Nederland.
Wanneer een arbeidsmigrant bezwijkt aan de stress of ziek wordt, of een ongeluk krijgt op het werk, wordt diegene soms op staande voet ontslagen in plaats van geholpen.
Sinds 2007 belanden steeds meer Oost- en Midden-Europese arbeidsmigranten op straat. ‘Sommigen zijn met trauma’s hierheen gekomen,’ vertelt Melinceanu. ‘Mensen die hoopten op een tweede kans in een nieuw land, met een stabiel inkomen. Misschien wel een verzoening met familie.’ Anderen raken aan de alcohol of drugs omdat ze op straat zijn beland. De situatie is sinds het uitbreken van de coronapandemie alleen maar schrijnender geworden. Migranten, die ook toen met velen op een kamer sliepen, moesten gewoon doorwerken, omdat thuiswerken voor hen niet mogelijk was. Of ze raakten hun werk kwijt zonder dat ze recht hadden op enige tegemoetkoming of uitkering. Ceplin: ‘De vliegtuigen vol nieuwe arbeidsmigranten bleven zelfs tijdens de pandemie binnenkomen. Ook toen ander vliegverkeer verboden werd.’
Stap maar in de bus
Hoe kan het dat zoveel van deze mensen dakloos raken? ‘Het wordt mensen heel gemakkelijk en aantrekkelijk gemaakt om hierheen te komen,’ vertelt Melinceanu. ‘Stap maar in de bus, je hoeft niets vooruit te betalen, alleen je koffertje mee te nemen. In Nederland wacht onderdak en werk.’
Eenmaal hier blijken de meesten echter op een nuluren contract aan de slag te moeten en slapen ze met soms wel tien man in een kleine bungalow. Soms komen ze op veertig uur werk per week, maar andere weken is er veel minder werk. Ook vindt het werk vaak in wisselende shifts plaats. Melinceanu: ‘Dan komen ze om elf uur ’s avonds thuis van de ene shift en krijgen ze soms dan pas te horen dat ze de volgende ochtend al om zes uur moeten beginnen.’
Die onregelmatigheid en de krappe woonomstandigheden, waar elke bewoner een ander ritme heeft, zorgen voor stress en staan het opbouwen van een nieuw leven in het gastland in de weg. Ceplin: ‘Zie maar eens een wekelijkse taalcursus te volgen, als je je leven niet eens een dag vooruit kunt plannen.’
Maar de arbeidsmigranten worden wel afgerekend op het niet machtig worden van de Nederlandse taal, en het staat ze in de weg bij het vinden van beter werk. Wanneer iemand bezwijkt aan de stress of ziek wordt, of een ongeluk krijgt op het werk, wordt diegene soms op staande voet ontslagen in plaats van geholpen. En ontslagen worden betekent binnen de all-inclusive constructie van de uitzendbureaus ook verlies van onderdak.
Op eigen houtje
Andere arbeidsmigranten komen op eigen houtje via vaak informele wegen naar Nederland, omdat ze bijvoorbeeld via een kennis hebben gehoord van een goed klusje. Zo ook Melinceanu en haar man, die dertien jaar geleden uit Roemenië overkwamen. ‘Roemenen konden destijds nog niet officieel aan de slag hier,’ vertelt ze. ‘Maar we ontdekten dat het als zzp’er wel te regelen was.’
Melinceanu’s man kreeg een aanbod in de bouw, wat al snel op teleurstellingen uitliep. Een werkgever die failliet werd verklaard, facturen die niet uitbetaald werden. ‘Wij hebben het hele proces doorlopen dat veel van zulke arbeidsmigranten doorgaan: schulden, betaalachterstanden, risico lopen om de huurwoning te verliezen, een huurhuis met anderen delen.’
‘In Roemenië stond werken in Nederland ooit gelijk aan het opbouwen van een glansrijke toekomst. Nu kijkt men je meelijdend aan als je vertrekt naar de “Nederlandse slavendrijvers”.’
Natuurlijk zijn er ook verhalen van uitzendbureaus en werkgevers die het wel goed voorhebben met arbeidsmigranten, benadrukken Melinceanu en Ceplin. ‘Wij hebben ons er uiteindelijk doorheen geworsteld,’ vertelt Melinceanu. ‘Alleen omdat we onze huurwoning niet hebben verloren, omdat die niet gekoppeld was aan de contracten met de opdrachtgevers was, konden we langzaam iets opbouwen.’ Dat is vaak een kwestie van geluk hebben, en velen lukt het niet, terwijl er nog steeds veel goedkope arbeidskrachten nodig zijn in Nederland. Een schril contrast met hoe we ze vaak behandelen.
Melinceanu: ‘In Roemenië stond werken in Nederland ooit gelijk aan het opbouwen van een glansrijke toekomst. Nu kijkt men je meelijdend aan als je vertrekt naar de “Nederlandse slavendrijvers”.’ Thuis wordt het voor veel Roemenen steeds moeilijker om rond te komen. Waar het lange tijd normaal was om in het huis van je ouders of grootouders te gaan wonen, groeit nu de eerste generatie op die een huis moet gaan huren, omdat de oude huizen uit elkaar vallen. De lonen in Roemenië lopen niet gelijk op met deze ontwikkeling. Toch kiezen steeds meer Roemenen ervoor om niet meer naar Nederland te komen. Ze hebben thuis dan misschien niet genoeg geld om rond te komen, maar nog wel hun waardigheid.
Evaringsdeskundigen
Toen sociale instanties in de gastlanden de toenemende aantallen dakloze arbeidsmigranten begonnen op te merken, gingen ze op zoek naar een organisatie in het thuisland om hen bij te staan. Zelf vonden ze het lastig om te helpen, onder andere door de cultuur- en taalbarrière. Zo kwam Barka in het vizier. Al sinds 2007 helpen ze dakloze arbeidsmigranten, maar sinds de coronapandemie loopt het echt storm. Ceplin: ‘Nu weten bijna alle Nederlandse instanties ons te vinden.’
Barka bestaat in Polen al sinds begin jaren negentig. De stichting is opgezet als re-integratieproject door Barbara en Tomasz Sadowscy, een psychologenechtpaar.
Voor veel mensen bleek het in het nieuwe Polen, na de val van de muur, moeilijk om zich staande te houden in de veranderde werkelijkheid. De gezondheidszorg en sociale instanties waren nog niet genoeg ontwikkeld om deze mensen op te vangen. Een situatie die nu als blauwdruk lijkt te dienen voor de positie van arbeidsmigranten, die het ook moeten zien te rooien in een nieuwe wereld, waar regelgeving de werkelijkheid nog niet heeft kunnen bijbenen.
De Sadowscys besloten mensen op vangen in hun eigen huis en later in een leegstaand gebouw dat ze van de gemeente in bruikleen kregen. Er vormde zich een werkwoongemeenschap waar mensen niet alleen therapie kregen, maar ook allemaal een bijdrage leverden door te werken, bijvoorbeeld in de keuken of de moestuin. Binnen de gemeenschap hielpen therapeuten de bewoners om beter te kunnen functioneren, maar ook onderling: senior bewoners hielpen de junior bewoners in hun rol als ‘leader’, de naam die Barka gebruikt voor de ervaringsdeskundigen. De woonwerkgemeenschappen van Barka breidden zich uit over heel Polen en bestaan nog steeds. Ze huisvesten en rehabiliteren onder meer verslaafden, ex-gedetineerden en prostituees.
‘In het begin vonden veel mensen het maar gek hippiegedoe wat dit echtpaar deed, en zelfs sektarisch,’ zegt Ceplin. ‘Maar op den duur bewezen ze zichzelf met hun goede resultaten.’
De hulpverleners van Barka, de leaders, werden naar Nederland gehaald, en naar andere landen waar Oost-Europese arbeidsmigranten op straat leefden. Daar, gekoppeld aan sociaal werkers die de plaatselijke regelgeving en maatschappij kennen, proberen ze dakloze arbeidsmigranten weer op de been te helpen.
Soms, als er perspectief is in het gastland, kan een arbeidsmigrant geholpen worden daar te blijven. Maar in Nederland zit je als EU-arbeidsmigrant pas echt veilig als je vijf jaar arbeidsverleden hebt opgebouwd en daarmee in aanmerking komt voor een uitkering of WMO-voorziening, de gemeentelijk ondersteuning voor opvang en zorg. De afgelopen paar maanden is er volgens Barka hard gewerkt aan een beter herkenningssysteem van al eerdere opgebouwde sociale rechten, zodat in sommige gevallen makkelijker aanspraak kan worden gemaakt op WMO. Vaak betekent hulp van Barka dan ook hulp om terug te keren naar het thuisland, of, als de cliënt verslaafd is of anderszins veel psychologische hulp nodig heeft, naar een van de woonwerkgemeenschappen van Barka. Melinceanu: ‘Helaas moeten we vaak afwachten tot iemand diep in de problemen zit voordat we iemand echt kunnen helpen.’ Dat zit deels in de trots van de cliënten zelf, en deels in het feit dat zolang een cliënt enigszins functioneert, er geen gedwongen opname of tijdelijk verblijf in de nachtopvang mogelijk is. Een van hun cliënten vonden ze in een rolstoel voor het ziekenhuis. Hij was er ontslagen met een dubbele beenbreuk en zat daar al drie dagen.
Bedelen voor extra inkomsten
Een doorsnee doordeweekse dag in de Barka-vestiging Den Haag, hoewel geen enkele dag bij Barka écht doorsnee is. Je weet namelijk nooit wat en wie je tegenkomt, zegt Melinceanu, die de leiding heeft over het team in Den Haag. Zo moest deze afspraak een aantal weken uitgesteld worden omdat ze mee was op een medisch transport naar Roemenië. Een verwarde, onaanspreekbare Roemeense vrouw was al meerdere keren op straat gevonden, waarna voorbijgangers een ambulance voor haar hadden gebeld. Na lang uitpluiswerk van Barka bleek dat de vrouw met verstandelijke beperking hoogstwaarschijnlijk was weggelopen bij haar familie, die zich vanuit Roemenië in Duitsland had gevestigd. ‘We vermoeden dat de familie haar had meegenomen om te bedelen voor extra inkomsten,’ zegt Melinceanu. ‘Daarom leek het ons verstandiger haar proberen terug te krijgen naar een zorginstelling in Roemenië, waar ze al bekend was.’
De werkdag van Barka begint meestal op het Centraal Station, waar de teamleden uit de omliggende plaatsen met de trein Den Haag binnen komen. Een omgeving die, als je er eenmaal vanuit de ogen van een dakloze naar hebt leren kijken, veel biedt: in de stationshal ben je beschut tegen de regen en kun je je telefoon opladen, op het pleintje achter het station bevindt zich een openbaar toilet, rondom het station is gratis wifi, en het Leger des Heils is op loopafstand. In de zomer nemen daklozen de tram naar Zoetermeer of Scheveningen om zich schoon te zwemmen in de Zoetermeerse Plas of de Noordzee.
Geen adres betekent ook geen kans op werk. En geen werk betekent geen kans om jezelf weer op de been te krijgen.
Veel daklozen zien Den Haag als aantrekkelijke stad. Groot, internationaal en met veel voorzieningen. Maar dat is volgens Melinceanu ten onrechte. Want de grootte, de versnippering van de hulpverlening en de hoeveelheid hulpbehoevenden maakt ook dat het systeem overbelast is.
Andere hulpinstanties weten Barka steeds vaker te vinden. Ook is er een nieuw samenwerkingsverband in de hofstad: LOKAAL informatiepunt voor arbeidmigranten. Op de locatie in het centrum (naast de Haagse Markt, waar daklozen ook vaak rondhangen in de hoop op zwart klusje bij een van de marktstallen) zijn naast Barka onder andere Helpdesk Geldzaken, Sociaal Raadslieden en hulpverlening voor Oekraïense vluchtelingen gevestigd. Melinceanu: ‘We hopen hiermee meer preventief werk te gaan doen voor een bredere doelgroep, en de arbeidsmigrant al te bereiken voordat die in grote problemen zit.’
Tegelzetter
Voorlopig zijn die grote problemen er meer dan genoeg. Voor de kebabzaak op Den Haag Centraal – de enige verwarmde ruimte van de stationshal – hebben zich tegen tien uur al de eerste twee cliënten van Barka verzameld. De Slowaakse Iwan, in een grote gele bomberjas, is een soort lichtbaken in de grijze massa die op weg is van huis naar werk; twee zaken die hij niet meer heeft. Zijn Poolse kameraad Andrei staat wat schuchter achter hem. Ze hebben de afgelopen tijd met elkaar opgetrokken op straat.
Iwan kwam bij Barka in het vizier toen hij een aantal weken geleden in zeer slechte gezondheid op straat werd gevonden en naar het ziekenhuis werd gebracht. Hij bleek suikerziekte te hebben en had dringend medische hulp nodig. Hij is al sinds vorig jaar november werkloos en dakloos. ‘Door zijn ziekte konden wij regelen dat hij onderdak kreeg in de winteropvang en later in hostel Bellavista, die kamers beschikbaar heeft gesteld voor tijdelijke opvang van daklozen,’ vertelt Gosia Kowalczyk, de Poolse sociaalassistent van het team, die ondertussen onophoudelijk wordt gebeld door verschillende instanties.
Nu zijn tijd bij Bellavista er bijna op zit, is het zaak om zo snel mogelijk te onderzoeken welke perspectieven Iwan heeft in Nederland en waar Barka hem mee kan helpen. Ze onderzoeken of hij via zijn laatste werkgever, die hem plotseling op straat zette, recht heeft op een ziekte-uitkering.
‘Maar aangezien hij pas ziek werd rondom zijn laatste werkdag en dit niet direct gemeld heeft bij de werkgever, hebben we onze twijfels,’ zegt Melinceanu. Terug naar Slowakije wil Iwan op dit moment niet. Zijn familie – vrouw, twee kinderen, drie kleinkinderen – weet niet dat hij al vijf maanden op straat woont. Hij schaamt zich, wil zijn zaken in Nederland op orde krijgen en de belofte aan zijn familie waarmaken. Iwan wijst naar de tegelvloer voor de kebabzaak en daarna naar zichzelf. Hij prikt drie keer op zijn borst, zijn vinger verdwijnt in de gele gewatteerde jas. Daarna wijst hij ergens in het luchtledige. Ver weg, daar waar ergens Slowakije ligt. ‘Thuis was hij tegelzetter,’ zegt Melinceanu.
Andrei heeft minder geluk met tijdelijke huisvesting. Ook hij is ziek, maar omdat het in dit geval een verslaving betreft, die door opvanginstanties medisch minder acuut wordt beschouwd dan de ziekte van Iwan, en waar vermoedelijk ook nog meer het stigma van ‘eigen schuld’ op heerst, is hij veroordeeld tot het leven op straat. Maar geen tijdelijke herstelopvang betekent ook geen kans op werk. En geen werk betekent geen kans om jezelf weer op de been te krijgen.
Vertrouwen winnen
Aan een lange picknicktafel zit een oudere man met een visserspetje, Czesław Wodzynski, in gesprek met een aantal Poolse twintigers. Hij leeft al drieëntwintig jaar in een Barka woonwerkgemeenschap in het zuiden van Polen (‘Ik ben daar de directeur van de schapen!’) en is nu voor vijf maanden over om als ‘leader’ te helpen in Nederland. Ook hij belandde bij Barka omdat hij verslaafd en dakloos was geraakt, en hij is er nooit meer weggegaan. ‘Eén keer ben ik teruggevallen,’ zegt hij. Hij werd direct weer opgevangen door de gemeenschap, die volgens hem als een grote familie is: wel negentig mensen wonen er, sommigen ook met hun gezin. Zijn eigen dochter was er op haar huwelijksreis op bezoek. ‘Ja, het is er mooi.’
Het is in zijn werk vooral belangrijk om het vertrouwen van de dakloze te winnen, voordat je überhaupt oplossingen kan bieden. ‘Iemand die hetzelfde heeft meegemaakt neemt men makkelijker in vertrouwen. Anders is de gedachte toch vaak: je begrijpt niet wat ik meemaak.’
Soms duurt dat winnen van het vertrouwen maanden, maanden waarin hulpbehoevende mensen dieper in de problemen raken. Het werk van Barka is een kwestie van volhouden.
Op de reguliere nachtopvangen zijn de migranten vaak niet welkom, maar van straat worden ze steeds opnieuw geweerd.
Ondertussen wordt Gosia Kowalczyk gebeld door de boswachter die het Haagse Bos beheert. Hij attendeert Barka op een Slowaakse man die zich al zo’n twee weken ophoudt in een tentje in het bos. De parken van Den Haag worden om de zoveel tijd, en vaak ruw, ‘schoongeveegd’ van deze tentenbewoners door handhaving en politie. Toen een Haags makelaarskantoor, bij wijze van liefdadigheid, maar hoogstwaarschijnlijk ook als reclamestunt, een paar weken geleden honderden gratis tenten uitdeelde aan daklozen, stroomden de meldingen weer binnen. Het is een getouwtrek; op de reguliere nachtopvangen zijn de migranten vaak niet welkom, maar van straat worden ze steeds opnieuw geweerd. ‘Stuur hem maar naar het Leger des Heils, dan zien we hem daar,’ zegt de Barka-medewerkster.
Gebloemde hoofddoek
Langzaam stroomt de groep voor de kebabzaak weer uiteen, de straten op. Melinceanu lijkt opgelucht. ‘De NS vindt het niet altijd leuk dat zich hier zoveel daklozen verzamelen. Vooral toen het buiten nog kouder was zat het hier aan elke tafel vol.’
Er zijn een aantal vaste plekken waar de medewerkers van Barka op hun rondje door de stad geregeld langskomen. Het Leger des Heils, het ziekenhuis, de penitentiaire inrichting in Scheveningen, LOKAAL informatiepunt, waar dagelijks een medewerker van Barka aanwezig is op het spreekuur, en park Koekamp achter het station. Ook daar wordt vaak gekampeerd, en elke middag stopt De Haagse Soepbus er om eten uit te delen en advies te geven.
Hoewel Melinceanu en Kowalczyk weinig noodzaak lijken te voelen zelf te lunchen, stoppen we toch bij een Surinaamse snackbar voor een patatje oorlog. Al etend vertelt Kowalczyk dat ze naast het werk een studie psychosociaal werk doet. Om de doelgroep, die bijna geen toegang heeft tot psychologische zorg, nog beter bij te kunnen staan. Melinceanu kijkt tevreden. ‘Geweldig.’
We moeten door, er staat een afspraak.
Onderweg passeren we een vrouw met een kleurrijk gebloemde hoofddoek en een oranje hesje, die zittend tegen een lantaarnpaal de straatkrant verkoopt. Melinceanu kijkt even naar haar, maar loopt door. ‘Dat is een heel ander verhaal,’ zegt ze.
Deze vrouw komt uit een Roemeense Roma-gemeenschap, een groep die gewend is een nomadisch bestaan te leiden en in tegenstelling tot andere arbeidsmigranten niet per se op zoek is naar vastigheid. ‘In Den Haag leven ze vaak in overbevolkte, informeel gehuurde kamers,’ vertelt Melinceanu, ‘met meerdere families. Tussen zes uur ’s ochtends en elf uur ’s avonds mogen ze niet in de kamer verblijven, omdat dan de inspectie langs kan komen.’ Bedelen komt veel voor binnen deze groep, het is een binnen de gemeenschap ingeburgerde levenswijze. Toch proberen instanties in gastlanden, zoals ook Barka, ze aan ander werk te helpen. In veel grote steden is bedelen namelijk verboden of worden bedelaars geweerd. ‘Deze vrouw heeft ontdekt dat ze de straatkrant kan verkopen. Ze ziet dat nu als echt werk, en wil daarom ook niet meer geholpen worden. In werkelijkheid is het voor haar slechts een manier om het bedelen te kunnen voortzetten.’
Een vast gezicht
Op de ramen van het pand van het Leger des Heils hangen geprinte A4’tjes met mededelingen, in het Nederlands, maar ook in het Pools en Roemeens. Binnen worden we hartelijk verwelkomd door een medewerker die enthousiast begint te vertellen over de samenwerking met Barka. ‘Zij kennen de doelgroep, die ook wij steeds meer zagen, maar met moeite konden helpen. Nu komen ze dagelijks over de vloer en zoals je ziet hangt hier inmiddels ook alle informatie in hun taal.’
Hij wijst naar de ramen en de prikborden aan de muur, waar onder andere vermeld staat wat het Leger te bieden heeft – warme douche, koffie, soep, computers met internettoegang.
In de ruimte zitten verschillende groepjes daklozen aan tafels bij elkaar. Een vrouw borstelt de lange, net gewassen haren van haar mannelijke metgezel. Vanuit een keukentje in de hoek wordt soep geserveerd.
De verschillende doelgroepen van het Leger des Heils gaan volgens de medewerker goed samen: de Oost-Europeanen, de Nederlandse dak- en thuislozen en de verslaafden. ‘Je ziet steeds vaker dat ze elkaar helpen, documenten voor elkaar vertalen en dingen proberen te regelen.’
Ook de man waarover de boswachter belde is inmiddels gearriveerd. Hij wordt te woord gestaan door de Pool Martin, een vast gezicht voor Barka. Martin spreekt goed Engels, weet zijn weg te vinden in de regelgeving, en heeft dus perspectief in Nederland. Maar helaas heeft ook hij een alcoholprobleem. En hulp daarvoor in Nederland is voor hem als migrant, zonder langdurige arbeidsgeschiedenis, moeilijk te regelen. Barka staat hem bij, en Martin helpt op zijn beurt de andere cliënten vol overgave.
‘Hij is sociaal, ontzettend snel en goed in zaken uitpluizen en regelen, en het doet hem goed, qua zelfvertrouwen, om betrokken te worden bij het steunen van anderen,’ zegt Kowalczyk. Toen de straatkapper wegens corona een tijd niet kwam, knipte Martin de haren van zijn lotgenoten. Melinceanu zucht en glimlacht voorzichtig: ‘Wie weet, wordt ook hij ooit nog een leader.’




Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.