Het is donker. Diep in de nacht wordt Yvonne Leenders (60) wakker in haar bed. Ze moet naar het toilet en strekt haar hand uit naar het lampje op haar nachtkastje, een automatische handeling. Maar haar hand vindt geen lichtknop, en ook geen nachtkastje. Ze ligt in haar woonkamer, beseft ze dan. Eerder die dag heeft een vriend haar matras uit de slaapkamer hierheen gesleept. Met haar gebroken been kon ze de trap niet meer op. Maar hier is geen licht. Plots is ze doodsbang.

Een paar dagen eerder was Leenders gaan paardrijden met een vriendin op de Ginkelse heide, bij Ede. Daar ging het mis: het andere paard schopte plotseling hard naar achteren en raakte met zijn ijzeren hoef Leenders’ been. Ze raakte buiten westen van de pijn. Met spoed moest ze naar het ziekenhuis, waar een ijzeren plaat in haar been werd gezet. ‘Verkeerd, zo bleek achteraf.’

Later die dag, rond etenstijd, werd ze uit de operatiekamer de lift in gereden. Een verpleegkundige legde uit hoe het verder zou gaan: de volgende dag zou de fysiotherapeut komen, de dag daarna zou ze huiswaarts gaan. Leenders raakte in paniek, ze zag helemaal niet voor zich hoe ze zo snel al voor zichzelf zou kunnen zorgen. Ze zit in een scheiding en woont alleen. 

Maar het beleid is: als ze slaagt voor een traplooptest, is ze fit genoeg om naar huis te gaan. ‘Ik was aan het huilen, ik vond het te eng. Lopen wilde ik niet, dus moest ik op mijn billen naar boven.’ Ze slaagde voor de test. ‘Na veel zeuren’ mocht ze nog één extra nachtje blijven, vertelt ze. Tot vrijdagochtend.

Om drie uur ’s nachts, die dag thuisgekomen, struikelt Leenders met haar gebroken been over het vloerkleed in haar woonkamer – ze valt. Nog steeds geen licht. Anderhalf uur ligt ze daar, op dat kleed. ‘Ik stikte van de pijn.’

waar láát je al die mensen?

Op papier is ontslag uit het ziekenhuis goed geregeld. Ziekenhuizen willen patiënten zo snel mogelijk weer weg hebben. Ze hebben de bedden nodig, want er staat altijd weer een volgende patiënt klaar. Dat lukt in Nederland goed: met 4,5 dag hebben we de kortste gemiddelde ligduur van heel Euro-pa, blijkt uit cijfers van Eurostat over 2021.

Maar patiënten die snel het ziekenhuis uit gaan, moeten wel ergens heen. De zorgmedewerkers die patiënten het ziekenhuis uit begeleiden, transferverpleegkundigen, zien hun werk de afgelopen jaren moeilijker worden, soms haast onmogelijk. Als zelfstandig naar huis geen optie is, moeten zij nazorg vinden. Dat is zo’n complexe puzzel geworden, de transferverpleegkundigen zien niet voor zich hoe ze die in de toekomst kunnen blijven leggen. En dat komt niet alleen door de druk op de bedden. 

‘De hondenuitlaat-service ververste om drie uur ’s middags mijn water en hielp me naar de wc, verder zag ik niemand.’

Patiënten worden, bot gezegd, ingewikkelder. De bevolking wordt steeds grijzer: een vijfde van de Nederlanders is nu ouder dan 65, in 2040 is dat een kwart, voorziet het CBS. En hoe hoger de leeftijd, hoe complexer de medische problemen vaak zijn, en des te langer de ligduur in het ziekenhuis. 

Dat gaat geld kosten. De kosten voor alleen al ouderenzorg zijn in 2040, aldus onderzoek van het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, rond de 37 miljard: evenveel als het Rijk nu aan politie uitgeeft. Dat is een stijging van 100 procent ten opzichte van nu. En er zullen veel en veel meer mensen in de ouderenzorg moeten werken. 

Het gevolg? Mogelijkheden in de zorg gaan botsen met de verwachtingen. 

Of nou, gáán… het botst nu al op de werkvloer. Van de 24 transferverpleegkundigen die VN sprak, vertelden 22 dat het werk steeds complexer wordt en op de lange termijn niet houdbaar is.

allemaal op dezelfde wachtlijst

Het is te merken bij een ochtendvergadering van het VUmc, bijvoorbeeld. ‘Soms lees ik dat het ontslag van een patiënt al gepland staat, en dan denk ik: o, waar gaat die heen dan?’ Transferverpleegkundigen Corine Bergkamp en Ellen Vosmeer zitten in hun vergaderkamer annex lunchruimte. Met hun team regelen ze de nazorg voor patiënten na een ziekenhuisopname, bijvoorbeeld thuiszorg of revalidatie. Ze zitten niet altijd op dezelfde lijn als hun collega’s elders in het ziekenhuis, vertellen ze. Sommige artsen zijn wel erg voortvarend met het naar huis sturen van patiënten.

Bij de ochtendvergadering schuiven de transferverpleegkundigen hun casussen op papier over tafel. Er zijn drie nieuwe aanvragen, één voor een hospice, in Haarlem. ‘Nou, daar heb ik al iemand in de wacht staan,’ klinkt van rechts. ‘Ja, ik ook.’ ‘En ik heb er ook één staan.’ Het is druk in Haarlem, maar niemand is ervan onder de indruk. Ze hebben wel vaker mensen op dezelfde wachtlijst staan. 

Op is op

‘De hondenuitlaatservice ververste om drie uur ’s middags mijn water en hielp me naar de wc, verder zag ik niemand.’ Lisanne* kwam na een herniaoperatie in 2019 alleen thuis te zitten. Haar partner was voor werk in de Verenigde Staten en haar uitwonende dochter moest overdag werken. ‘Ik kon zelf niks. Uiteindelijk heb ik een week lang in een bed in de woonkamer gelegen. Ik werd totaal aan mijn lot overgelaten.’

In het ziekenhuis werken ‘ze’ volledig langs elkaar heen. ‘De fysio zei dat een transferverpleegkundige nazorg voor me zou organiseren, maar toen die maar niet langskwam, ben ik het zelf gaan doen.’ Het bed in de woonkamer dat ze uiteindelijk zelf regelde, was een schrale vervanging voor de wijkhulp waar geen plek was. ‘Mijn dochter heeft het bed nog zelfstandig in elkaar gezet.’

Voordat Lisanne naar huis moest, werd – net zoals bij Yvonne Leenders – de traplooptest toegepast. ‘De fysio sleurde me twee keer van de trap af en concludeerde dat ik voor mezelf kon zorgen,’ vertelt ze. 

Als een ziekenhuis inschat dat een patiënt na een opname niet voor zichzelf kan zorgen, wordt het transferbureau ingeschakeld. Dat gebeurt ongeveer 300.000 keer per jaar, volgens de transferverpleegkundigenafdeling van de Verpleegkundigen en Verzorgenden Nederland (V&VN). De opties zijn dan in theorie: thuiszorg, revalidatiecentrum, verpleeghuis, zorghotel of – in het uiterste geval – opname in een hospice. Wat het beste past, besluit een transferverpleegkundige samen met de verpleegkundige en arts, in overleg met de patiënt.

De keuze wordt ingegeven door: de toestand van de patiënt, de beschikbaarheid (of juist het tekort) van zorgpersoneel, de kaders van de zorgwetten, zorgcontracten die de zorgverzekeraar van de patiënt heeft afgesloten, én hoe snel het bed weer leeg moet zijn. 

Op is op, ook in de zorg. Zorgverzekeraars spreken namelijk met bijvoorbeeld thuiszorgaanbieders en revalidatie-instellingen af voor hoeveel patiënten zij ruimte willen maken bij die zorginstellingen. Is er een contract van 400 patiënten bij één instelling? Dan komt patiënt 401 er niet in.

Richard ging bellen, en uiteindelijk kreeg hij het voor elkaar om toch in een zorghotel terecht te komen. Daar werd tegen hem gezegd dat hij revalidatie had moeten krijgen, omdat hij er zo slecht aan toe was.

Zo ontstaat soms de situatie dat er voor een patiënt wel plek is, maar dat er geen afspraak is tussen zorgverzekeraar en instelling. En dan moet er verder worden gezocht, of veel tijd gestoken worden in een afspraak op maat.

Annie van de Sluis, transferverpleegkundige in het Rivierenland Ziekenhuis, maakte het laatst nog mee. Een van haar patiënten kon niet in de zorginstelling terecht waar zij al een aanleunwoning had, omdat haar zorgverzekering alle ingekochte zorg al had vergeven. De vrouw moest uiteindelijk twintig kilometer verderop revalideren, een eind weg van haar invalide man met wie ze in de aanleunwoning woonde.

De druk op de bedden in ziekenhuizen is hoog: door de schaarste worden medewerkers genoodzaakt sneller te beoordelen of iemand langer in het ziekenhuis moet verblijven. Bij het Dijklander Ziekenhuis zijn transferverpleegkundigen 20 procent van de tijd bezig met uitleggen aan artsen waarom een patiënt echt nog niet naar huis kan, vertelt transferverpleegkundige Marieke van Donk. 

Ook Jeroen Ulle, transferverpleegkundige in het Zaans Medisch Centrum, moet regelmatig in gesprek met artsen om patiënten langer in het ziekenhuis te kunnen houden. ‘Soms vindt de arts dat een patiënt medisch klaar is, terwijl je zelf de patiënt ziet en denkt: die ziet er echt te belabberd uit om naar huis te gaan.’ Als deze patiënten toch worden ontslagen, ziet Ulle regelmatig dat ze enkele dagen later weer opgenomen worden. 

De patiënt is een ster

Nederland vergrijst in een rap tempo. Als de steeds groter wordende groep ouderen in het ziekenhuis komt, is dat steeds vaker met niet één, maar drie of vier medische problemen, die niet altijd in dezelfde categorie vallen. Dementie, een moeilijke knie, hartproblemen én een gebroken heup, bijvoorbeeld. 

Je moet het eigenlijk zo zien, zegt Joyce Kranendonk: je hebt een vierkantje, een driehoek en een rondje. Een blokkendoos, zo hebben we het zorglandschap in Nederland ingericht. ‘De patiënt moeten wij in een van die vormpjes zien te krijgen. Maar de patiënt is steeds vaker een ster. Dat past niet.’

Kranendonk is transferverpleegkundige bij het Haga Ziekenhuis en voorzitter van V&VN Transferverpleegkundigen. Ze doet dit werk nu vijftien jaar bij hetzelfde ziekenhuis en ziet dat er voor steeds meer patiënten moeilijk zorg te regelen is.

Ze zit op haar vrije woensdag met zo’n patiënt in haar hoofd. Deze man kreeg een zware beroerte. Kranendonk moest op de derde dag inschatten: hoe nu verder? Ze betwijfelt of de patiënt weer helemaal opknapt. Bij de revalidatie-instelling staan ze niet te springen: straks hebben ze een patiënt die daar een paar maanden ligt. Dan maar meteen naar een verpleeghuis. Maar als ze daar langdurige verzorging wil aanvragen, moet ze volgens de regels kunnen aantonen dat revalidatie niet zou werken. En dat kan ze niet. 

Wie slaagt voor de traplooptest, is fit genoeg om naar huis te gaan. ‘De fysio sleurde me twee keer van de trap af, en concludeerde dat ik voor mezelf kon zorgen.’

Bovendien: voor revalidatie-instellingen zijn ingewikkelde patiënten als deze een financieel risico, vertelt Kranendonk. Zorgverzekeringen kijken aan het eind van het jaar welke organisaties efficiënt werken en welke niet. Met de ‘slecht presterenden’ maken ze dan voor het vervolg minder snel afspraken. En dus wordt, vertelt Kranendonk uit ervaring, aan de deur kritisch gekeken: kunnen we deze patiënt wel snel oplappen? 

Alle transferverpleegkundigen die Vrij Nederland gesproken heeft, merken een toename van patiënten die niet meer passen in de blokkendoos van het Nederlandse zorgsysteem. Dat leidt ertoe dat het overplaatsen van patiënten naar huis of naar een zorghotel soms weken of in het uiterste geval maanden vertraging oploopt. Kostbare tijd en ruimte voor het ziekenhuis: als een patiënt écht nergens heen kan, blijft een bed soms weken bezet.

Op vrijdagmiddag op de stoep

‘De zorg zegt goed georganiseerd te zijn, maar is dat bij thuiskomst vaak niet.’ Het is een van de vele reacties uit een landelijke enquête onder huisartsen. 

‘Huisartsen zijn relatief kritisch als het gaat om de communicatie met ziekenhuizen,’ vertelt onderzoeker Neil van der Veer van onderzoeksbureau Newcom. Hij onderzocht in 2022 op verzoek van de Nederlandse Vereniging Ziekenhuizen hoe huisartsen naar de samenwerking kijken. 

Wat blijkt: 85 procent van de Nederlandse huisartsen vindt dat ziekenhuizen niet goed met ze samenwerken. Ruim de helft van de huisartsen heeft het gevoel dat patiënten bij ze over de schutting worden gegooid. ‘Er gaan vaak patiënten met onvoldoende zorg naar huis, en dan vaak ook nog op vrijdagmiddag,’ staat in het onderzoek. ‘Het komt regelmatig voor dat patiënten ontslagen worden zonder dat er goede nazorg is.’

Er wordt te snel gezegd: ga maar weer naar huis, merkt Saskia Kobes, verpleegkundig specialist bij Huisartsenpraktijk Wateringseveld. Ze komt regelmatig voor een verrassing te staan als een patiënt na een ziekenhuisopname ineens hun hulp nodig heeft. ‘Waar het misgaat, is bij oudere patiënten of mensen met een verstandelijke beperking. Ze worden vaak ontslagen zonder ook maar iets aan de huisarts te vertellen.’ Als Kobes probeert met het ziekenhuis duidelijke afspraken te maken, krijgt ze te horen: ‘Sorry, samenwerking met huisartsen doen wij niet, dan moeten we met te veel schijven rekening houden.’ 

We slaan door in efficiëntie, vindt Kobes. ‘Er staat een bepaalde ligduur voor een patiënt en langer dan dat mag niet. Maar patiënten hebben vaak echt méér hulp nodig. Een perverse financiële prikkel ligt eraan ten grondslag.’ Een patiënt thuis is namelijk goedkoper dan in het ziekenhuis. 

Al over tien jaar komt de zorgsector zo’n 190.000 mensen tekort, volgens een prognose van het ministerie van Volksgezondheid.

Volgens de Landelijke Huisartsenvereniging (LHV) overschatten specialisten in ziekenhuizen vaak ook wat huisartsen aankunnen. ‘Een specialist denkt soms dat ze een medische handeling of inschatting wel aan de huisarts kunnen overlaten, terwijl de huisarts dan denkt: jeetje, daar ben ik niet voor opgeleid. Dus die dingen blijven er soms tussen hangen,’ zegt een woordvoerder. Vervolgens is het voor patiënten onduidelijk bij wie ze na hun ziekenhuisopname terecht kunnen. 

Het is een van de grootste uitdagingen, beaamt Joyce Kranendonk. Ze omschrijft de overdracht als een overgangsgebied dat ‘net niet meer het stukje van het ziekenhuis is, en nog niet het stukje van de huisarts’. 

Over dat gebied wil ze betere afspraken maken met huisartsen.

Van twee weken naar twee dagen

‘De verwachting van patiënten is hetzelfde gebleven, terwijl het systeem totaal is veranderd,’ zegt Cynthia van Kampen, transferverpleegkundige in het IJsselland Ziekenhuis. Vooral ouderen vinden het lastig zich aan te passen. ‘Dat is ook niet gek: vroeger lag iemand na een heupoperatie makkelijk twee weken in het ziekenhuis. Nu liggen patiënten er vaak niet langer dan twee dagen.’ 

Het snelle ontslag leidt regelmatig tot onbegrip bij zowel patiënten als familie. Transferverpleegkundigen vertelden aan Vrij Nederland dat ze regelmatig te maken hebben met verbale agressie van familieleden en patiënten. Femke van Streek van het Amsterdamse OLVG: ‘Patiënten dreigen dat ze je opwachten bij de parkeerplaats als hun moeder niet naar het verpleeghuis kan.’ 

De zoon van een patiënt liet Cynthia Stevens, van het transferbureau van het Gelre Ziekenhuis, weten: ‘U jaagt mijn moeder zo de dood in, als ze nu al naar huis moet.’ Stevens: ‘We voeren vaak discussies met families van patiënten, het gaat vaak ook om overbelaste mantelzorgers. Ergens kan ik de boosheid ook wel begrijpen. Mensen weten niet goed hoe complex de zorg is.’

Maar soms móéten patiënten wel voor zichzelf opkomen. Zo kwam Richard* (82) in conflict met het ziekenhuis over zijn nazorg. Voorafgaand aan zijn operatie, januari 2023, had hij laten weten dat hij niet zelfstandig naar huis kon, er was daar niemand die voor hem kon zorgen. Geregeld, dacht hij. Maar in het ziekenhuis hoorde hij dat hij het toch echt zelf moest zien te rooien.

Nog onder invloed van de morfine – ‘ik zag de gordijnen op de uitslaapzaal dansen’ – moest hij het ziekenhuis verlaten. Althans: dat werd hem verteld. Nazorg van het transferbureau zou hij niet nodig hebben. Richard ging bellen, heen en weer, en uiteindelijk kreeg hij het voor elkaar om toch in een zorghotel terecht te komen. Daar werd tegen hem gezegd dat hij revalidatie had moeten krijgen, omdat hij er zo slecht aan toe was. Als hij zich had overgegeven aan het oordeel van het ziekenhuis, had hij het in zijn bovenwoning niet gered, denkt hij.

Zelfredzaamheid

Al over tien jaar komt de zorgsector zo’n 190.000 mensen tekort, volgens een prognose van het ministerie van Volksgezondheid. Tegen 2040 zal een vierde van de werkenden een baan in de zorg moeten hebben om aan de zorgvraag te kunnen voldoen, berekende de Sociaal Economische Raad in 2020. Nu werkt een op de zeven, 1,4 miljoen mensen, in de zorg. 

Met zo’n verwacht tekort aan werknemers in de zorg zal de directe omgeving van hulpbehoevenden moeten bijspringen. Maar juist op de zelfredzaamheid van de bevolking kan steeds moeilijker een beroep worden gedaan. In 2015 waren er voor elke hulpbehoevende vijftien potentiële mantelzorgers, in 2040 zijn dat er nog maar vijf, berekende de SER. 

‘Het huidige systeem is niet houdbaar,’ zegt Joyce Kranendonk (V&VN). ‘Vooral als we steeds meer vergrijzen en steeds meer mensen krijgen die zorgafhankelijk worden. We moeten dat op een of andere manier anders gaan organiseren.’ Meer bedden en meer werknemers zou een hoop helpen: ‘Maar die komen er niet en gaan er ook niet komen.’ Hoe het er dan wel uit gaat zien, dat kan ze zich nog niet voorstellen.

In 2015 waren er voor elke hulpbehoevende vijftien potentiële mantelzorgers, in 2040 zijn dat er nog maar vijf.

Yvonne Leenders, Lisanne en Richard zijn alledrie voorbeelden van hoe het huidige zorgsysteem niet houdbaar is. Richard probeert nog altijd zijn gelijk te halen bij het betreffende ziekenhuis. Lisanne heeft geen klacht ingediend bij het ziekenhuis. ‘Daar wordt toch niets mee gedaan,’ zegt ze zelf. 

Leenders, die in 2022 een paardrijongeluk had, heeft aan het slopende medische proces PTSS overgehouden. Ze is acht maanden bezig geweest met revalidatie. Maar al het ijzerwerk is in april uit haar been gehaald; daarmee gaat het nu goed. ‘Mijn been staat nu krom, maar ik rijd gelukkig wel weer paard.’ 

Verantwoording

Vrij Nederland sprak voor dit artikel transferverpleegkundigen, patiënten, zorgverzekeraars, thuiszorg, huisartsen, hoogleraren en zorgorganisaties. Verder liep de redactie drie dagen mee op de transferbureaus van het VUmc, Zaans Medisch Centrum en het IJsselland Ziekenhuis.*De namen van de patiënten Richard en Lisanne zijn om privacyredenen gefingeerd, hun echte namen zijn bij de redactie bekend. Vrij Nederland heeft ter verificatie van de verhalen van de drie patiënten inzage gehad in e-mails, brieven en schaderapporten. De drie ziekenhuizen kunnen vanwege de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) geen details verstrekken over individuele patiënten.