Dit verhaal is ook te beluisteren.

Een psychiater met een volle bos wit haar en lange benen ontvangt me in zijn kantoortje in een gebouw met verlaagde systeemplafonds. ‘Psychiatrie is een vak van de taal,’ zegt hij. Neem een patiënte die hij laatst sprak. Ze wilde geen medicijnen slikken, geen chemische troep in haar lijf. Toen begon het woordenspel. De vrouw dacht dat ze door het nemen van medicijnen onomstotelijk zou toegeven dat ze gek was. ‘Toen ze dat uitsprak,’ zegt hij tevreden, ‘zag ze al in hoe irreëel die gedachte was. Ze nam haar medicijnen en binnen zes weken was ze weer op de rit.’

Ongelukkig zijn is geen stoornis. Maar waar ligt de grens tussen die twee? De afgelopen maanden is ook mij geadviseerd om aan de medicijnen te gaan vanwege de angst die maar niet afneemt. Ik ben altijd heilig overtuigd geweest van de oplosbaarheid van mijn ontregelingen. Maar de laatste tijd twijfel ik, lees ik bijsluiters van selectieve serotonineheropnameremmers. Hoe langer het duurt, hoe harder de lokroep van de sirenen. Mijn huid lijkt geen doorgetrokken lijn meer, de verhalen die ik hoor bij Zon & Schild sijpelen naar binnen. Gaat dit ooit weer weg of leef ik voortaan met mijn zenuwen aan de buitenkant?

In de tussentijd houd ik me vast aan de woorden van Kierkegaard: ‘Wil een mens zijn angst leren kennen, dan zal hij over zijn innerlijke bewegingen moeten nadenken. Bij bewustwording van zichzelf is het onontkoombaar dat hij ook zijn eigen onrust opmerkt. Daar moet hij dan ook niet vanaf maar doorheen.’ Hoelang duurt het voordat je erdoorheen bent?

‘Wat is er veranderd in de psychiatrie,’ vraag ik, ‘sinds mijn oma hier verbleef in de jaren zeventig?

‘De benadering is anders,’ zegt hij, ‘de behandelingen zijn grotendeels hetzelfde gebleven. Het is een jong vak. We weten nog steeds veel meer niet dan wel.’

De belangrijkste verandering is de herstelbeweging, waarmee de autonomie van een patiënt wordt erkend. De herstelbeweging ontstond in de jaren zeventig als uitvloeisel van de antipsychiatrie. De patiënt heeft in deze benadering meer invloed op beslissingen in zijn behandeltraject. En de hiërarchie tussen psychiater en patiënt is zo veel mogelijk verdwenen. De herstelbeweging gaat niet alleen uit van een medische aanpak, maar kijkt op alle terreinen hoe iemand zinvol kan leven, met of zonder symptomen.

De herstelbeweging stuit ook op weerstand: tot waar gaat de autonomie van een patiënt? Tot het gebruiken van drugs? Tot de agressie die erop volgt? Tot de rand van een leven of ook eroverheen?

‘Wat de behandeling betreft,’ gaat hij verder, ‘daarbij grijpen we steeds vaker terug op oude technieken. Neem elektroshocks. Door One Flew Over the Cuckoo’s Nest is die methode verguisd geraakt, maar het is nog steeds een effectief laatste redmiddel bij suïcidale depressie.’

‘Wat betekent een psychose eigenlijk?’ vraag ik. ‘Er zijn mensen die een psychose zien als een vorm van bescherming,’ verduidelijk ik mijn vraag, ‘andere mensen zien het als een onderbewust vraagstuk.’

Volgens filosoof Berry Vorstenbosch bestaat er een vorm van nostalgie bestaat naar de psychose, omdat die raakt aan het goddelijke.

‘Dat is hetzelfde als denken dat een tumor een betekenis heeft,’ zegt hij. ‘Het is een ziekte, en zo moet je er ook mee omgaan.’

De reactie van de psychiater blijft me dwarszitten. Misschien was het mijn woordkeuze, legt het woord ‘betekenis’ een vorm van schuld neer bij degene wie de psychose overkomt. Een redenatie die me blijft verbazen: waarom zou een emotionele of sociale oorzaak iemand schuldig maken? Ik zie het hooguit als aansporing om ons op een andere manier om elkaar te bekommeren en in te zien dat de taal naast argument ook zelf een medicijn kan zijn.

Voor mijn vader raakte de psychose aan het mystieke. Hij ervoer dat hij onderdeel was van een onzichtbaar web aan betekenissen en verbanden, de disconnectie was in zijn ogen de echte waan. Vaak heb ik gedacht dat zijn psychose iets goedmaakte voor de ontreddering in zijn jeugd. Psychotisch werd hij het centrum van zijn eigen universum; in dat speciaal voor hem gesponnen web was hij nooit alleen gelaten.

Filosoof Wouter Kusters beschreef op een evenement over waanzin en creativiteit in De Balie zijn psychose als ‘een uitdrukking van het verlangen naar oneindigheid in een wereld die zich eindig acht, op een sociaal en cultureel knullige manier. Dat verlangen moet niet volledig gemedicaliseerd worden. Een psychose gaat ergens over. Je brandt door en komt terecht in een wereld waarin allerlei nieuwe verbanden ontstaan. Wat hebben die te betekenen? Je kunt niet aankomen met: niets, het is een ziekte. Je doet mensen tekort door in het medische discours te blijven hangen. Dan blijft er een aantrekkingskracht uitgaan van de psychose. Je wilt ernaar terug. Je bent iets op het spoor gekomen wat over alles gaat. Als daar geen bevredigend antwoord op komt, blijf je dat pad volgen.’

In De overtocht schrijft filosoof Berry Vorstenbosch, die zelf ook een aantal psychoses doormaakte, dat er een vorm van nostalgie bestaat naar de psychose, omdat die raakt aan het goddelijke. Deze nostalgie wordt volgens Vorstenbosch afgeschermd door angst.
Mijn paniek speelt een spel met de psychose; als de dood ben ik voor die schuivende werkelijkheid waarin niets meer op zijn plek blijft, voor het verdwijnen in een wereld zonder houvast. Tegelijkertijd ben ik gefascineerd door de verbanden die mensen leggen in een manie, met name door de manier waarop ze de taal gebruiken in een waan. In een psychose lijkt iemand in de taal te leven. Woorden worden gebruikt als poëzie.

Mijn moeder zei over de eerste keer dat ze mijn vader zag: ‘Als hij iets zei, leek het alsof hij onderdeel was van iedere vezel van de wereld en vanuit die eenheid sprak. Waar de taal voor mij en voor de meeste mensen altijd net een tel te laat is, vond hij in zijn manie een plek recht in het hart van de taal, alsof hij van woorden gemaakt was. Hij had geen punten, komma’s of ademruimte nodig. Het verschil tussen binnen en buiten was opgeheven.’

Uit de woorden van Kusters en Vorstenbosch maak ik op dat een psychose je niet alleen overkomt, ze trekt ook aan je. Zelf heb ik altijd het idee gehad dat ik verstrikt zit in het keurslijf van de logische taal; liever wil ik wonen in de hartkamers ervan, al weet ik dat daar ook de gekte huist.

Wat als deze residentie mijn manier is om toe te geven aan de aantrekkingskracht van dat onbekende, het met omfloerste woorden te naderen – maar de paniek me voor het verdwijnen behoedt?

Dit is een voorpublicatie uit Niemand wilde hier zijn van Robin van den Maagdenberg, dat op 5 maart verschijnt bij Querido.