Een groot voordeel van dood zijn, is dat je je niet meer druk hoeft te maken over hoe je haar zit. Dit schreef journalist, (scenario)schrijver en mijn idool Nora Ephron in New York Magazine een paar jaar voor ze in 2012 stierf aan een agressieve vorm van leukemie. Er stond ook een lijstje in het artikel van dingen die ze niet zou missen – begrafenissen, panels over vrouwen in de filmwereld – en dingen die ze vreselijk zou missen: haar kinderen, haar geliefde, op Manhattan afrijden over de Queensboro Bridge, taart.
Wist Ephron toen al dat ze kanker had? Geen idee, want op een half dozijn familieleden na sprak ze met niemand over de ziekte die haar fataal werd. Zelfs haar beste vrienden wisten het niet tot haar een-na-laatste dag op aarde.
Dat de dood haar bezighield ver voor ze zelf aan de beurt was, blijkt al uit het begin van haar omvangrijke oeuvre. In de meet-cute opening van When Harry met Sally, haar beroemde romantische comedy uit 1989, zegt de net afgestudeerde Sally dat ze naar New York gaat verhuizen om een baan te zoeken als verslaggever. Harry is sceptisch: ‘Stel, het wordt niets? Stel je woont er je hele leven, en er gebeurt niks. Je komt nooit iemand tegen, je bent niemand, en tot slot word je zo’n New Yorkse dode die pas na twee weken door iemand wordt ontdekt vanwege de geur in het traphuis?’.
https://www.vn.nl/product/vrij-nederland-juni-2026/Ik moest denken aan Ephrons geestige scherpzinnigheid en haar onvermogen en/of onwilligheid om haar eigen naderende dood bespreekbaar te maken tijdens de presentatie dit voorjaar van Game Over, het jeugdboek dat ik samen met longarts Sander de Hosson schreef over het menselijk stervensproces. ‘Dood zijn is, denk ik, een soort eeuwige verveling’, zei een 9-jarig meisje dat samen met een stel andere kinderen onder de 12 op het podium in totale onbevangenheid kwam meepraten over de dood.
Olifant
Later vertelde ik over die bijeenkomst aan een tachtiger die in het Veerhuis woonde, het Amsterdamse hospice waar ik als vrijwilliger avondeten klaarmaak voor mensen die niet lang meer te leven hebben. Ze grinnikte en zei: ‘Mooi gezegd. Slim kind. Zelf hoop ik op wat meer actie in de tent, daar aan de overkant, want ik vind deze fase – terminaal ziek zijn bedoel ik – tergend saai. Aan de andere kant, waar heb ik het over? Mijn bed is mooi opgemaakt, ik heb vanmiddag een geweldige documentaire gekeken, jij gaat nu iets lekkers met aardappelpuree voor mij klaarmaken en ik hoef niet af te wassen. Het is maar de vraag of het in het hiernamaals ook zo top geregeld is.’
De woorden van de hospice-bewoner zouden zo in een dialoog van een Ephron-film kunnen, met het verschil dat zij geen karakter in een film was maar een echte vrouw voor wie de naderende dood geen olifant in de kamer was. Of tenminste, het was wel een olifant, maar hij mocht er zijn. Iedereen die bij haar op bezoek kwam – en dat waren er velen, van buren tot kleinkinderen tot oud-collega’s tot de beste vrienden van haar kinderen – zag de olifant onder ogen, samen met haar.
Top 9
Maakt deze mentaliteit het einde van de rit zachter voor een stervende en de dierbaren die aan het bed zitten? Dat valt niet met zekerheid te zeggen, maar na twee boeken over doodgaan en na drie jaar werken in het Veerhuis durf ik me wel te wagen aan een voorzichtige ja. Is dit iedereen gegeven: zeker niet. Kunnen wij hier als maatschappij iets zinnigs in betekenen door ongeneeslijk ziek zijn en sterven uit de taboesfeer het licht in te trekken? Absoluut.
Vandaar hier een steen in de vijver, in de vorm van een onvolledige, niet in steen gehouwen top 9 van how to-tips over hoe de dood het best te omarmen, samengesteld met behulp van twee oud-hospice-coördinatoren die aan een paar duizend sterfbedden hebben gestaan. Een soort doodgaan voor dummies, die wij allemaal zijn en blijven omdat er nou nooit eens iemand heel even terugkeert.
Dierbaren en aanstaande nabestaanden ook opgelet, want jullie zijn een onmiskenbaar onderdeel van het proces. En natuurlijk, het is allemaal makkelijker gezegd dan gedaan, maar we moeten toch wat proberen, we are in this together en niemand ontspringt de dans. Dus here we go.
1. Je gaat dood zoals je hebt geleefd
Boos, overbezorgd, nieuwsgierig, lichtvoetig, gierig, positief, neurotisch, onredelijk, sloom – je ontkomt aan het einde niet aan de karaktertrek die tijdens je leven vaak de overhand had. Probeer daar af en toe eens bij stil te staan op zomaar een dinsdagmiddag als de dood (hopelijk) nog ver weg geparkeerd staat. Hoe leef ik nu? En wat zou dat kunnen betekenen voor straks? Vooral als je vaak onredelijk boos bent (moeilijk om in te zien, we know), want boos doodgaan is ronduit naar, ook voor de mensen die achterblijven. En dan gaat het vooral over woede gericht tegen de dood zelf. Als in: ‘Heb ik weer’, ‘ze moeten altijd mij hebben’, ‘het is niet eerlijk’. Natuurlijk zijn er momenten dat het niet eerlijk is, en daar mag je ook over klagen. Jong en met pijn sterven bijvoorbeeld, is een harder gelag dan stokoud in je slaap overlijden, maar linksom of rechtsom, als je kunt voorkomen dat je boos doodgaat, is het mooi meegenomen.
2. Creëer een sfeer waarin iedereen durft te zeggen wat-ie wil
En dat kan ook zijn: laat dit onderwerp maar even zitten. Rust en liefde vindt iedereen belangrijk, maar de praktijk wijst uit dat dierbaren rond een sterfbed er vaak niet zo goed in zijn. Dingen oplossen is belangrijk, maar het lukt niet altijd en het kan niet altijd. ‘Alles is gezegd’, hoor je mensen vaak zeggen. Mooi als dat gevoel blijft hangen, maar feit is: nooit is alles gezegd, en dat is oké. Accepteren kan minstens zoveel waard zijn.
Geef je dierbare de gelegenheid en ruimte om los te laten
3. Probeer veeleisendheid en perfectie/controledrang een beetje te laten varen
En voor de dierbaren: je hoeft niet alles te pikken van een stervende (wel veel, net als van een barende). In het hospice woonde eens een vrouw die op een van haar laatste dagen per se nog watermeloen wilde van een bepaalde groente- en fruitjuwelier. Een van haar kinderen op pad. Helaas kon ze die ene perfecte watermeloen niet krijgen omdat de winkel dicht was en dus kwam ze terug met een watermeloen van de supermarkt. De stervende ging tekeer alsof haar leven ervan afhing. Tot schreeuwen aan toe. Bedenk: als het aan het einde van de rit steeds alleen maar moeilijk, ongezellig en ruzieachtig wordt, is er na iemands dood vooral opluchting en dat is wrang.
4. Maak samen een plannetje voor het afscheid en zorg dat de praktische zaken op orde zijn, als het even kan
Dat geeft rust en voorkomt stress aan het sterfbed, ook voor de nabestaanden. Dat gezegd hebbende: mensen durven vaak simpelweg niet aan een stervende te vragen: wat kan ik voor je betekenen nu je er nog bent? En dan hebben we het niet over filosofische gesprekken op hoog niveau, maar gewoon: is er iets waar je hart naar uitgaat.
Dit gebrek aan durf leidt soms tot schrijnende oppervlakkigheid. Een vrouw in het hospice kreeg euthanasie. De avond voor het ging gebeuren, kwam haar man langs. Hij lag de hele avond op haar bed sport te kijken en zij zat stil te zijn op het kleine tweezittertje dat in de kamer stond. Toen de sportprogramma’s waren afgelopen, ging hij naar huis. Hij kwam nog even dag zeggen tegen de vrijwilligers in de keuken: tot morgen. Wil je niet blijven slapen, vroeg iemand. Dat wilde hij niet. Misschien was het hun manier en vonden zij het goed, maar het zag er zo karig en eenzaam uit, voor allebei.
5. Loslaten
Ga er maar aan staan. Het is heel moeilijk. Voor de naasten geldt: geef je dierbare de gelegenheid en ruimte om los te laten. Ze hebben het nodig. Stervenden overlijden niet voor niks vaak als iedereen net even de deur uit is: eindelijk de kans om ertussenuit te piepen. Gevalletje vasthouden tegen alles en iedereen in: de dochters van een stervende vrouw stonden erop dat ze in haar laatste weken nog fysiotherapie kreeg. Fysiek had ze er niets meer aan, maar dat deed er niet toe voor hun, moeder had nog recht op vijf behandelingen van de verzekeraar en die zou ze krijgen. Moeders hoofd stond er ook allang niet meer naar, maar ze liet het toe om haar dochters niet te kwetsen. Het is lief bedoeld, maar hier heeft niemand iets aan. En je verspilt kostbare tijd aan ruis.
6. Houd tegelijk vast aan wat je nog wel hebt en wat je nog wel kan
Ja, je wereld is klein geworden, zoals mensen dan zeggen, maar wat is klein? Wie bepaalt dat? En klein is goed, toch? In een mooie documentaire over het Veerhuis van Steef Meyknecht wordt Hans gevolgd. Hans is heel emotioneel, hij huilt veel, maar hij heeft ook een opschrijfboekje waarin hij van alles noteert over hoe de dood in de Nederlandse taal gebakken zit. De pijp uitgaan en zo. Dat was zijn manier om ermee om te gaan, en het hielp. Er was ook een vrouw die tot haar laatste dag in de weer was met Koreaanse gezichtsmaskers. Volledig gehydrateerd en zonder vrees stapte ze uiteindelijk de drempel over.
Het aller-allerlaatste stukje, het doodgaan zelf, is ‘alsof je een porseleinen kopje neerzet’
7. Als het bij je past, is humor een bijzonder fijn hulpmiddel om te relativeren
Je kan ook lachen om te huilen, in de zin van: lachen neemt soms de functie van huilen over. Wetenschappelijk is al tig keer aangetoond wat een heerlijke dingen er zoal in je brein en in je lichaam gebeuren op het moment dat je in lachen uitbarst, of zelfs maar even grinnikt. Die effecten verdwijnen niet als je in je laatste hoofdstuk zit. Gebruik dat. Denk Nora Ephron. Lees een paar van haar briljante essays vol zelfspot. Het zal je helpen.
8. Durf buiten de gebaande paden te treden
Als het zo uitkomt, of in het geval van ziekenhuis of verpleeghuis: vergeet het protocol. De theorie over wat werkt aan een sterfbed loopt lang niet altijd synchroon met de praktijk. In het hospice lag een jonge man, eind veertig. Hij had pijn en vroeg om palliatieve sedatie. Vlak voor hij dat kreeg, ging hij ineens rechtop zitten om te zeggen dat hij ontzettend veel zin had in een stroopwafel. Eigenlijk is het geen goed idee om nog te eten als een sedatietraject is ingezet, want het sterven gaat er alleen maar langer van duren. Toch was het hier zo goed en zo mooi. De man at zijn stroopwafel in bed, en gleed daarna weg. Zijn vrienden aten in de woonkamer, terwijl ze rustig zaten te wachten, de rest van de stroopwafels op bij de thee.
9. Put er troost uit dat doodgaan zelden akelig verloopt
Dat aller-allerlaatste stukje, het doodgaan zelf, verloopt zelden akelig. Vraag het maar aan mensen die lang in een hospice of verpleeghuis hebben gewerkt. Zij hebben er god weet hoeveel keer naast gestaan en meestal gaat het zoals schrijver en oud-verpleeghuisarts Bert Keizer zegt: ‘Alsof je een porseleinen kopje neerzet.’ Je kunt daar echt op vertrouwen.
En dan nog iets. Je gaat niet voor niks dood. Dikke kans dat je zwak en ziek bent, en dat je kwaliteit van leven al een tijd tanende is. Hopelijk ben je ook oud. Geef je over aan de dood. Het is uiteindelijk de meest efficiënte manier om van de ellende af te komen. We zijn er bovendien voor gemaakt. Lekker voor altijd slapen. Wie weet tref je nog iets leuks aan, daar in de eeuwige verveling. In elk geval geen panels over vrouwen in de filmwereld. (En ook geen aardappelpuree. Tant pis.)
Els Quaegebeur (1975) is schrijver en journalist en maakt voor Vrij Nederland o.a. grote interviews. Haar laatste boek Game Over. Alles over doodgaan, dat ze schreef met longarts Sander de Hosson, is in april verschenen



Je reactie wordt geplaatst zodra deze is goedgekeurd. Je reactie is geplaatst.